Deel deze pagina

Verzenden

Op zoek naar verklaringen voor evoluties in luchtkwaliteit

In opdracht van MIRA werd het onderzoek ’Verklarende factoren voor evoluties in luchtkwaliteit’ uitgevoerd door VITO in samenwerking met IRCEL. Het onderzoek bouwt verder op de scenarioberekeningen over luchtkwaliteit beschreven in de MIRA Milieuverkenning 2030.

Deze studie gaat na

  • welke bijdrage de sectoren in Vlaanderen leveren aan de fijnstof- en ozonconcentraties in Vlaanderen
  • wat de bijdrage is van niet-Vlaamse emissies tot de fijnstof- en ozonconcentraties in Vlaanderen
  • wat het effect is van de Vlaamse emissies op de fijnstof- en ozonconcentraties buiten Vlaanderen.

Enkele opmerkelijke conclusies over fijn stof:

  • De fijnstofconcentraties (PM10 en PM2,5) in Vlaanderen worden vooral bepaald door de totale emissies van de sector landbouw. Deze emissies bestaan voor een groot deel uit rechtstreeks uitgestoten (primair) fijn stof en terug opgewaaid stof, maar ook uit ammoniakemissies (die door fysico-chemische reacties in de atmosfeer zorgen voor de vorming van secundair fijn stof). De sectoren industrie en transport volgen op een tweede en derde plaats.
  • Dalingen van de Vlaamse ammoniakemissies (met landbouw als voornaamste bron) hebben een groter potentieel voor een reductie van de totale secundaire fijnstofconcentraties in Vlaanderen, dan reducties van de Vlaamse stikstofoxide-emissies (met transport als voornaamste bron).
  • Een emissiedaling van stikstofoxiden door de sector transport blijft echter wel belangrijk voor het halen van de Europees vastgelegde stikstofdioxidegrenswaarden en zal ook zorgen voor dalende fijnstofconcentraties in onze buurlanden.
  • Ongeveer een kwart van de in Vlaanderen berekende fijnstofconcentratie (totale massa) is afkomstig van menselijke bronnen binnen Vlaanderen. Circa de helft is afkomstig van andere Europese landen. Het resterende kwart is afkomstig van natuurlijke bronnen, van emissies buiten Europa of kan niet éénduidig worden toegewezen aan Vlaamse of buitenlandse bronnen.
  • Alhoewel de fijnstofconcentraties in Vlaanderen in de toekomst zullen dalen, zal de Vlaamse bijdrage aan de fijnstofconcentraties (zowel in Vlaanderen als in het buitenland) relatief toenemen.

Enkele opmerkelijke conclusies over ozon:

  • De jaargemiddelde ozonconcentratie in Vlaanderen stijgt wanneer de emissies van de ozonprecursor stikstofoxide dalen volgens de scenario’s van de Milieuverkenning 2030. Stikstofoxiden spelen immers zowel een rol bij de vorming als bij de afbraak van ozon. Een daling van de stikstofoxide-emissies zal in eerste instantie zorgen voor minder afbraak van ozon waardoor de concentraties zullen toenemen.
  • Pas bij verdergaande emissiereducties van de ozonprecursoren (zowel stikstofoxiden als niet-methaan vluchtige organische stoffen) op Europese schaal zal de jaargemiddelde ozonconcentratie in Vlaanderen dalen. Hiervoor zijn emissiereducties nodig van de grootteorde -45 % t.o.v. de huidige situatie.
  • De sector transport heeft de grootste impact op ozonconcentraties. In de toekomst zal die impact afnemen door de verdere daling van de stikstofoxide-emissies van het wegverkeer. De impact van de sector industrie neemt relatief toe.
  • De Vlaamse emissies van ozonprecursoren beïnvloeden de ozonconcentraties in de ons omringende landen en omgekeerd.

o Lees het volledige rapport 'Verklarende factoren voor evoluties in luchtkwaliteit'

Contactpersonen MIRA:
o Fijn stof: Marleen Van Steertegem (m.vansteertegem@vmm.be)
o Fotochemische luchtverontreiniging: Line Vancraeynest (l.vancraeynest@vmm.be)