Deel deze pagina

Verzenden

Energiegebruik door de landbouw

Deze indicator beschrijft het directe energiegebruik door de landbouwsector. Dit is de energie die nodig is voor de verwarming, ventilatie en verlichting van serres en stallen en als de brandstof voor trekkers en landbouwmachines. Indirecte energie nodig voor de aanmaak van meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen of krachtvoer is niet inbegrepen in deze indicator.
Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

* voorlopige cijfers

Bron: MIRA op basis van VITO Energiebalans Vlaanderen
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Schommelend verloop energiegebruik periode 1990-2014

In 2014 gebruikte de landbouwsector 22,2 PJ energie (figuur 1). Dit komt neer op 1,5 % van het bruto binnenlands energiegebruik in Vlaanderen. In vergelijking met andere sectoren zoals industrie (44,3 %), energie (19,9 %) en transport (13,9 %) is dit aandeel beperkt. 

Verwarming en elektriciteit voor gewasbelichting in de glastuinbouw verklaart het grootste deel van het energiegebruik (45 % in 2014). Veeteelt (intensieve veeteelt + graasdierhouderij) neemt ruim 30 % van het energiegebruik in beslag, o.a. voor de stalverwarming, tractoren en gebruik melkmachines- en robots. Akker- en tuinbouw (excl. glastuinbouw) verklaart iets minder dan een kwart van het energiegebruik. Off-road activiteiten in de bosbouw en groenvoorziening hebben een beperkt aandeel ( <5 %) in het energiegebruik.   

Vanaf 2007 vertoont het energiegebruik een schommelend verloop, met een licht dalende trend over de tijdsreeks (1990-2014). De knik tussen 2006 en 2007 is o.a. te wijten aan een wijziging in methodologie en databron (voor details zie Energiebalans Vlaanderen, 1990-2014). Hierdoor daalt het aandeel van de glastuinbouw (vanaf 2007) en wordt het aandeel van de veeteelt en de akkerbouw belangrijker in vergelijking met voorgaande jaren (1990-2006). 

Invloed koude winters

Het weer beïnvloedt de energie nodig voor verwarming en ventilatie van serres en stallen. Het aantal graaddagen (figuur 1) kan gebruikt worden als een maat voor de verwarmingsbehoefte (zie ook indicator Energiegebruik per sector). Zo dragen de koude winters van 2010 en 2013 bij tot een hoger energiegebruik in deze jaren, en kunnen de zachte winters van 2014 het lager energiegebruik t.o.v. 2013 (-15,4 %) deels verklaren. Naast de buitentemperatuur dragen ook andere (combinaties van) factoren bij tot het energiegebruik (o.a. grootte van de veestapel, mestverwerking, energie-intensiteit, mate van automatisatie,…). Ook de netto energiebesparing door verhoogde inzet van warmtekrachtkoppelingsinstallaties (WKK) in de landbouw speelt een rol.    

Fossiele brandstoffen domineren, met verschuiving van petroleum naar aardgas

Sinds 2007 is een duidelijke omschakeling zichtbaar in het energiegebruik: petroleumproducten zoals benzine, zware stookolie en LPG worden gradueel vervangen door aardgas (figuur 2; aandeel aardgas van 61 % in 2014). Aardgas wordt vooral gebruikt in de glastuinbouw voor serreverwarming. Terwijl het aandeel van zware stookolie in 2007 nog meer dan een vijfde van de energiemix bedroeg verdween het in 2014 bijna volledig van het toneel (<1 %). Ook het percentage kolen is geslonken van 5 % in 2007 naar 1,7 % in 2014. Diesel- of gasolie daalt met 11 % t.o.v. 2007, maar verklaart in 2014 nog steeds ruim een kwart van het energiegebruik (o.a. als brandstof voor trekkers). 

Landbouw is netto-elektriciteitsproducent

Onder impuls van stijgende energieprijzen (2006) werd in de glastuinbouw een oplossing gezocht in de bouw van WKK’s. Een WKK voorziet de serres van warmte en elektriciteit op een manier waarbij brandstof bespaard wordt ten opzichte van gescheiden opwekking van warmte en elektriciteit. Omdat er in de glastuinbouw vooral warmte nodig is wordt een groot deel van de geproduceerde elektriciteit aan het net geleverd. Als gevolg is het finaal elektriciteitsverbruik van de landbouw negatief (figuur 2) en is de sector vanaf 2010 een netto elektriciteitsproducent.  De toename van WKK’s in de glastuinbouw draagt ook bij tot de dominantie van aardgas in de energiemix, gezien dit de belangrijkste brandstofsoort is voor WKK’s in Vlaanderen (Inventaris WKK Vlaanderen, 1990-2014). 

Het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) heeft de omschakeling naar WKK’s aangemoedigd via investeringssteun. In de periode 2007-2010 lag het aantal gesteunde projecten, alsook het totaal investeringsbedrag, jaarlijks hoger (respectievelijk steun aan 10, 21, 24 en 47 WKK’s). In de periode 2011-2013 daalde het aantal steunaanvragen en het aantal gesubsidieerde installaties (respectievelijk steun aan 22, 22 en 23 WKK’s). De gemiddelde capaciteit van een WKK met VLIF-steun ligt vanaf dan ook lager. 

Bescheiden opmars hernieuwbare energie, verdere inspanningen nodig

Sinds 2005 en vooral vanaf 2007 doet biomassa als hernieuwbare energiebron zijn intrede in de landbouw (meerbepaald in de glastuinbouw). Het aandeel van biomassa steeg van 12 % in 2013 naar 15 % in 2014. Cruciaal bij het gebruik van biomassa als hernieuwbare energiebron is dat het netto een reductie van CO2 met zich meebrengt en dit over de volledige levenscyclus (van productie tot consumptie). 

Naast gebruik van biomassa kan ook zonne- of windenergie en co-vergisting met mest aangewend worden. De VLIF-cijfers tonen een sterke stijging in het aantal goedgekeurde dossiers voor fotovoltaïsche zonnecellen (van 30 in 2007 naar >500 in 2013). In 2014 bestaat 4,7 % van de warmte in Vlaanderen uit ‘groene warmte’ (zie indicator Verwarming en koeling op basis van hernieuwbare energiebronnen). Bijkomende inspanningen om de 13 % hernieuwbare energie te halen tegen 2020 zijn dus nodig. De landbouwsector kan via energiebesparing, verhoging van de energie-efficiëntie en het aandeel hernieuwbare energie de directe emissie van broeikasgassen verder doen dalen (zie indicator Emissie van broeikasgassen door de landbouw) en de afhankelijkheid van externe energie verlagen.

Meer info

De Energiebalans Vlaanderen (1990-2014) schetst de evolutie van het energiegebruik per sector en per energiedrager 

Meer info over VLIF-steun voor energiebesparende technieken in de landbouw 

Inventaris warmte-krachtkoppeling in Vlaanderen (1990-2014)

Meer cijfers

.pdf

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht