Deel deze pagina

Verzenden

Emissie van broeikasgassen door de landbouw

De indicator beschrijft de uitstoot van de broeikasgassen koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4) en lachgas (N2O) door de Vlaamse landbouwsector. Deze gassen dragen rechtstreeks bij tot de mondiale klimaatverandering. Om de emissies van de drie broeikasgassen met elkaar te kunnen vergelijken worden ze uitgedrukt in kton CO2-equivalenten (CO2-eq). Enkel de landgebruik gerelateerde emissies die in het kader van het Kyotoprotocol gerapporteerd moeten worden zijn hier opgenomen. Emissies ten gevolge van productie en transport van importgoederen gebruikt door de landbouwsector (bv. veevoeder) worden niet meegerekend. 

De belangrijkste energetische bronnen van broeikasgassen in de landbouw zijn fossiele brandstoffen (bv. voor verwarming van serres en stallen) en off-road voertuigen. Niet-energetische bronnen zijn methaanproductie door vergisting in dierlijke spijsvertering en mestopslag, productie van lachgas door mestgebruik en uitstoot (als CO2) of opslag van bodemkoolstof door veranderingen in landgebruik of bodembeheer.

Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport Ć  la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

Bron: MIRA op basis van VMM en Energiebalans VITO
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Vlaamse landbouw verantwoordelijk voor 8 % van de totale broeikasgasemissie

In 2014 bedroeg de totale emissie van broeikasgassen uit de landbouw in de strikte zin (deelsectoren akker- en tuinbouw en veeteelt, zwarte lijn in figuur1) 6 695 kton CO2-eq. Dat is een daling van 26 % t.o.v.1990, 15 % t.o.v. 2000 en 7 % t.o.v. 2010. In 2014 is het aandeel van deze landbouwdeelsectoren (exclusief deelsector jacht, bosbouw en groenvoorziening) in de totale broeikasgasemissie goed voor 8 % (zie ook milieuprofiel van de landbouw). 

Landgebruiksveranderingen kunnen de bodemkoolstofvoorraad wijzigen. Goed beheer van bossen of (her)bebossing zorgt voor een verhoging van koolstof in de bodem. Dit draagt onder andere bij tot de netto negatieve emissie van broeikasgassen door de deelsector jacht, bosbouw en groenvoorziening (-614 kton CO2-eq in 2014, groene balk in figuur 1). Daarnaast kan beheer van en/of wijzigingen van grasland naar akkerland de bodemkoolstofvoorraad verlagen. Omdat deze emissies niet in rekening gebracht moeten worden bij toetsing aan de Kyoto-doelstellingen worden ze niet verder meegenomen in deze indicator.

Methaan en lachgas blijven grote uitdaging voor de Vlaamse akker-, tuinbouw en veeteelt

Het emissieprofiel van de Vlaamse akker-, tuinbouw en veeteelt verschilt sterk van andere sectoren. Niet koolstofdioxide, maar methaan en lachgas domineren (figuur 2), goed voor respectievelijk 70 en 53 % van de totale methaan- en lachgasuitstoot in Vlaanderen. Dit zijn hoofdzakelijk niet-energetische emissies gerelateerd aan de veestapel

Methaanemissies zijn voornamelijk afkomstig van spijsverteringsprocessen in herkauwers (vooral runderen). Lachgas komt vrij in de atmosfeer door opslag en aanwending van (dierlijke) mest of door indirecte processen (bv. atmosferische depositie en uitloging). Zowel CH4 en N2O worden geproduceerd tijdens de productie en opslag van mest. Een kleinere veestapel en strenger mestbeleid zorgde o.a. voor een aanzienlijke daling van de niet-energetische emissies vanaf 2000. Vanaf 2007-2008 vertonen deze emissies opnieuw een opwaartse trend door een licht toegenomen veestapel (figuur 3). 

Koolstofdioxide komt uit energetische bronnen (figuur 3). Het aandeel van energetische emissies in de akker-, tuinbouw en veeteelt is relatief beperkt (21 %). Ter vergelijking: voor heel Vlaanderen is dit aandeel 76 %. Zoals hierboven wordt aangegeven worden koolstofdioxide emissies ten gevolge van landgebruiks(veranderingen) hier niet meegenomen.

 

Verdere reducties mogelijk via technische inspanningen…

De Vlaamse landbouw wordt reeds gekenmerkt door een hoge productiviteit en efficiëntie. Toch kunnen technologische en efficiëntiemaatregelingen de uitstoot van broeikasgassen nog verder reduceren. 

Om de energetische emissies te doen dalen focust het Vlaams Klimaatbeleidsplan (2013-2020) op het verder stimuleren van rationeel energiegebruik en het aanwenden van minder koolstof intensieve brandstoffen (vnl.in de glastuinbouw). Maatregelen om niet-energetische emissies te reduceren zijn het opwaarderen van mest via biogasproductie (N2O en CH4), bemesten in functie van gewasbehoefte en verminderen van kunstmestgebruik (N2O). Methaanreductie blijft met stip de grootste uitdaging. Verder onderzoek naar optimalisatie van het voederrantsoen en sturing van de micro-organismen in het spijsverteringsstelsel van runderen kan voor een verdere doorbraak in emissiereductie zorgen.

…maar aandacht voor een duurzame productie- en consumptieketen.

Een duurzaam landbouw- en voedingssysteem betekent dat de volledige keten van producent tot consument verduurzaamt. Een evenwichtig voedingspatroon met een verschuiving naar minder dierlijke eiwitten en/of meer lokale producten met een lagere milieudruk kan bijdragen tot een daling van broeikasgassen in Vlaanderen (Vlaams Klimaatsbeleidsplan 2013-2020). Ook kan goed beheer van het organisch bodemkoolstofgehalte de broeikasgasemissies uit bodems doen dalen. De biologische landbouw kan een voorbeeldfunctie vervullen in de verdere verduurzaming van de landbouw. 

De link tussen consumptie, productie en broeikasgasuitstoot is echter complex. Volgens berekeningen van het Vlaams input-outputmodel (2003) ontstaat bijna driekwart van de broeikasgasuitstoot gerelateerd aan de consumptie van voeding door Vlaamse huishoudens in het buitenland. In datzelfde jaar was de Vlaamse landbouwproductie bestemd voor export (producten uit veeteelt, akker- en tuinbouw) verantwoordelijk voor ruim de helft van de broeikasgasuitstoot van de Vlaamse landbouw (MIRA op basis van cijfers van het input-outputmodel in 2003). Tijdens een recente hoorzitting (april 2016, Vlaams Parlement) van de Klimaatcommissie werd reeds gewezen op het ‘exporteren’ van problemen, door enkel in te zetten op een verlaging van de broeikasgasemissies in Vlaanderen. Het is momenteel nog wachten op specifieke klimaatmaatregelen voor de Vlaamse landbouw- en voedingssector.

 

Meer cijfers

.pdf

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht