Deel deze pagina

Verzenden

Emissie van primair fijn stof door de industrie

Deze indicator brengt de evolutie van de industriële uitstoot van elementair koolstof, PM2.5, PM10 en totaal stof naar de omgevingslucht in beeld. Dit stof ontstaat voornamelijk door opslag, behandeling en verwerking van fijnkorrelige materialen, verkleining van grover materiaal, erosie van bedrijfsterreinen, slijtage van diverse werktuigen en installaties, condensatie van verbrandingsproducten …

Deze indicator bespreekt de rechtstreekse uitstoot in de sector industrie van de fracties totaal stof (TSP of total suspended particles), PM10, PM2,5 en EC (elementair koolstof) in Vlaanderen, opgedeeld per deelsector.

  • Totaal stof slaat op alle zwevende stofdeeltjes die in de lucht blijven zweven. De aerodynamische diameter van deze deeltjes kan tot ongeveer 100 µg gaan.
  • PM10 is de fractie van de zwevende stofdeeltjes met een aerodynamische diameter kleiner dan 10 µm.
  • PM2,5 is de fractie van de zwevende stofdeeltjes met een aerodynamische diameter kleiner dan 2,5 µm.
  • EC of elementair koolstof (elemental carbon) is niet ingedeeld volgens grootte maar volgens samenstelling. Deze deeltjes zijn restproducten van verbrandingsreacties.
Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Verloop

Industrie verantwoordelijk voor 20 % uitstoot fijn stof

In 2014 was de sector industrie verantwoordelijk voor 20 % van de PM2,5-emissie in Vlaanderen, in 1995 was dit nog 28 %. Voor de uitstoot van PM10, totaal stof en elementaire koolstof heeft de industrie een aandeel van respectievelijk 16 %, 14 % en 13 % in de totale Vlaamse uitstoot.

De deelsector metaal, papier en chemie hebben elk een aandeel van 28 %, 24 % en 9,5 % in de industriële uitstoot van PM2,5 in 2014. De ‘overige industrie’, waar de bouwsector deel van uitmaakt, neemt in dat jaar 33 % voor haar rekening. Ten opzichte van 1995 daalde het aandeel van de metaalsector aanzienlijk (van 48 % naar 28 %) en was er een zeer sterke stijging in het aandeel van de papiersector (van 0,2 % naar 24 %). De kleine textielsector is verantwoordelijk voor 0,1 % van de uitstoot en de sector voeding neemt 5,4 % voor haar rekening van de totale industriële uitstoot. Voor PM10, totaal stof en elementaire koolstof zijn de percentages gelijkaardig.

Doelstellingen

In het MINA-plan 4 (2011-2015) zijn voor verschillende polluenten emissiedoelstellingen opgenomen tegen 2015. De doelstelling voor de totale Vlaamse PM2,5-emissie bedraagt 8,3 kton tegen het jaar 2015. Dit emissieplafond bestaat uit 2,3 kton voor transport en 6,0 kton voor de stationaire bronnen, de sector industrie maakt deel uit van deze stationaire bronnen. Een herziening van het protocol van Göteborg in 2012 leidde tot aangescherpte emissieplafonds tegen 2020 voor België. In een beslissing van de Interministeriële Conferentie Leefmilieu (ICL, 27/04/2012) werd de verdeling van de inspanningen over de gewesten vastgelegd voor de stationaire bronnen. Voor Vlaanderen bedraagt het PM2,5-emissieplafond voor stationaire bronnen 6,7 kton tegen 2020. Dit plafond is dus minder streng dan de doelstelling opgenomen in MINA-plan 4.

In het Clean Air Policy Package van december 2013 (COM(2013)918) stelde de Europese Commissie verdere nationale emissieplafonds voor PM2,5 voor. Het voorstel voor België is een reductie van de PM2,5-emissie met 20 % tegen 2020 t.o.v. 2005, in lijn met het protocol van Göteborg, en met 47 % tegen 2030.

Er zijn geen globale emissiedoelstellingen van totaal stof voor Vlaanderen vastgelegd. Wel is de emissie van totaal stof opgenomen in VLAREM. Om te voldoen aan de Europese richtlijn 2001/80/EG werden in 2004 de emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties in VLAREM aangepast waardoor sinds 2008 de emissiegrenswaarden van totaal stof sterk beperkt zijn voor nieuwe en bestaande stookinstallaties. Er bestaan momenteel geen emissiedoelstellingen voor PM10.

Halvering hoeveelheid fijn stof tussen 1995 en 2000, daarna stagnatie

Tussen 1995 en 2000 halveerden de stofemissies in de sector industrie voor zowel PM2,5 (-54 %), PM10 (-53 %) en totaal stof (-47 %). Voor elementaire koolstof was de daling minder sterk (-34 %). In deze periode werd de grootste daling opgemeten in de metaalsector voor PM2,5 met een daling van ongeveer 76 %. Van 2000 tot 2014 was er in de sector industrie nog een reductie van PM2,5 met 5,8 %, voor PM10 met 6,1 %, voor totaal stof met 7,9 % en voor elementaire koolstof met 9,1 %. De sterke daling in de emissies in 2009 kan hoofdzakelijk worden toegeschreven aan de financieel-economische crisis. In 2009 daalde de uitstoot van PM2,5 met 16,5 % om het jaar erna opnieuw te stijgen met 16,2 %. Bij de andere categorieën fijn stof is een gelijkaardig patroon waar te nemen.

In bijna alle deelsectoren is er een daling waarneembaar tussen 2000 en 2014. De daling van PM2,5 in de textielsector was het hoogst met ruim 80 %, maar ook de economische activiteit daalde met net geen 40 %. De deelsectoren chemie, voeding en ‘overige industrie’ kenden een daling van PM2,5 tussen 2000 en 2014 van respectievelijke 41 %, 36 % en 38 %. De metaalsector kende een lichte stijging van fijn stof (met uitzondering van elementaire koolstof, die 10 % daalt) terwijl de economische activiteit lichtjes daalde, voor PM2,5 betekende dit een stijging van 3,3 %. Enkel de papiersector kent een zeer grote stijging. In 2000 bedroeg de uitstoot van PM2,5 17 ton, in 2014 was dit maar liefst 818 ton. Deze sterke stijging in de papiersector is te verklaren door een stijging in de verbrandingsemissies van hernieuwbare brandstoffen, meer specifiek biomassa. PM10, totaal stof en elementaire koolstof tonen een gelijkaardig verloop.

Meer actie nodig voor betere luchtkwaliteit

Verdere actie zal nog nodig zijn om de industriële fijn stofemissies te reduceren. Zo dient de invoering van elektrostatische filters en doekenfilters in industriële processen en verbrandingsinstallaties verder te worden doorgedreven. Ook de reductie van andere polluenten heeft een invloed op de emissie van fijn stof: zo zal door lagere emissie van SO2 en NOx (onder invloed van de uitvoering van de Europese NEM-richtlijn) vooral de emissie van PM2,5 kunnen verminderen. Eén van de belangrijkste maatregelen hierbij is de overschakeling van vaste brandstoffen naar aardgas in diverse industriële processen.

Meer cijfers

.pdf

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht