Deel deze pagina

Verzenden

Eco-efficiëntie van de industrie

De indicator ‘Eco-efficiëntie van de industrie' geeft weer in welke mate de milieudruk gelijke tred houdt met het activiteitsniveau. Er wordt gesproken van ontkoppeling  wanneer de groeisnelheid van een drukindicator (bv. emissie van broeikasgassen) lager is dan de groeisnelheid van de activiteitindicator (bv. bruto toegevoegde waarde). De ontkoppeling is absoluut als de drukindicator stagneert of daalt bij een groei van het activiteitsniveau. De ontkoppeling is relatief als de groei van de drukindicator positief is maar minder groot dan die van de activiteitindicator. Enkel absolute ontkoppeling leidt tot winst voor het milieu.

Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

* voor afval het gemiddelde van jaar x-1 en jaar x+1

Bron: MIRA op basis van SVR (HERMREG), OVAM, VMM, VITO
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Belangrijke sector met grote milieudruk

De sector industrie is goed voor ruim een kwart van de Vlaamse bruto toegevoegde waarde en een vijfde van de Vlaamse tewerkstelling. Tussen 2000 en 2015 steeg de bruto toegevoegde waarde van de industrie met 17 % terwijl de tewerkstelling (werknemers en zelfstandigen) daalde met 15 %. In 2009 kende de industriële sector een verminderde economische activiteit door de financieel-economische crisis. Door de lagere economische activiteit daalde de milieudruk in 2009, aan deze daling wordt verder geen specifieke aandacht besteed. De Vlaamse industrie is en blijft economisch gezien een belangrijke sector, door de aard van de activiteiten heeft de industrie echter een grote milieudruk.

Energiegebruik dalend, absolute ontkoppeling broeikasgasemissie door ETS

De sector industrie neemt 44 % van het totale Vlaamse energiegebruik voor zijn rekening in 2014. Het totale energiegebruik kan worden opgesplitst in een energetisch en niet-energetisch deel. Het energetische energiegebruik, 60 % van het totale energiegebruik in de industrie, bleef tot 2006 net onder het niveau van 2000. Tegen 2014 lag het energetische energiegebruik 7,3 % lager in de beschouwde periode. Het energetische energiegebruik daalde terwijl de economische activiteit bleef stijgen, hier is sprake van absolute ontkoppeling. Dit wijst op een hogere energie-efficiëntie bij de verschillende industriële stook-, verwarmings- en aandrijvingsprocessen. Voor het genereren van een eenheid bruto toegevoegde waarde was er in 2014 20 % minder energetische energie nodig dan in 2000.
Het niet-energetische energiegebruik, waarbij energiedragers worden ingezet als grondstof voor diverse processen, komt bijna volledig op naam van de chemische sector, waar nafta (een gedestilleerd mengsel van koolwaterstoffen uit ruwe aardolie) 63 % van het totale niet-energetische energiegebruik voor zijn rekening uitmaakt. Het niet-energetische energiegebruik steeg met 6,2 % terwijl de bruto toegevoegde waarde in de chemische sector met meer dan 20 % gestegen is, hier kan gesproken worden van een relatieve ontkoppeling. 

27 % van de antropogene uitstoot van broeikasgassen in Vlaanderen is afkomstig van de industrie. Tot 2004 loopt de uitstoot van broeikasgassen in de sector industrie gelijk met het energiegebruik en de economische activiteit. Vanaf 2005, bij de start van Europese emissiehandelssysteem (ETS) (zie Toegewezen versus benodigde emissierechten voor bedrijven onder Europees emissiehandelssysteem), is er een absolute ontkoppeling tussen de economische activiteit en de uitstoot van broeikasgassen. Tussen 2000 en 2015 nam de uitstoot van broeikasgassen af met ruim 18 %. De broeikasgassen, methaan (CH4) en distikstofoxide (N2O), tonen een zeer sterke daling van respectievelijk 64 % en 70 %. Het methaan komt hoofdzakelijk vrij bij het storten van afval, distikstofoxide bij de salpeterzuur- en caprolactamproductie in de chemische sector. In 2014 wordt er 30 % minder broeikasgassen uitgestoten per eenheid bruto toegevoegde waarde dan in 2000.

Absolute ontkoppeling van emissies naar lucht, maar uitstoot stagneert

Bij de andere emissies naar de lucht kan er gesproken worden van een absolute ontkoppeling. Emissies van ozonafbrekende stoffen en NMVOS tonen een continu daling. Ten opzichte van 2000 daalden deze emissies respectievelijk met 81 % en 61 %. De industrie stoot meer dan helft van de emissies van NMVOS uit in Vlaanderen. De emissies van verzurende stoffen halveerde bijna tussen 2000 en 2009 en bleef daarna min of meer op hetzelfde niveau. De emissie van zware metalen kennen enigszins een ander verloop, in de periode 2000 tot 2004 schommelen de waarden zeer sterk, de emissie van zware metalen is zelfs hoger in 2004 dan in 2000. Tussen 2005 en 2008 is er een sterke afname van de emissie van zware metalen, daarna blijft de emissie eerder schommelen rond dezelfde waarde. Ten opzichte van 2000 daalde de uitstoot van zware metalen met 59 %. Met uitzondering van koper is de industrie voor elk metaal verantwoordelijk voor meer dan de helft van de uitstoot in Vlaanderen. De emissie van fijn stof PM2,5 kent, na te pieken in 2004, een daling waarna de ontkoppeling begint. Ten opzichte van 2000 zijn de emissies van fijn stof 30 % gedaald, ook hier stagneren de waarden in de laatste jaren. 

Ook water en afval in de goede richting

Het waterverbruik (exclusief koelwater) loopt tot 2006 vrij gelijk met de economische activiteit, hierna volgt een daling van het watergebruik. Vanaf 2008 ligt het watergebruik lager dan in 2000. Wat de CZV-lozing in afvalwater betreft, kan duidelijk worden gesproken van een absolute ontkoppeling, sinds 2000 daalde de CZV-lozing met ruim 55 %. Voor afval is de tijdsreeks beperkter, na de piek in 2005 daalde de hoeveelheid primair afval en vanaf 2008 blijft deze hoeveelheid onder de waarde van 2004.

Verschillende maatregelen stimuleren ontkoppeling in de sector industrie

In de sector industrie kan er gesproken worden van een absolute ontkoppeling voor de meeste parameters die worden opgenomen. Heel wat parameters kenden een sterke daling in het vorige decennium, waarna ze in veel gevallen lijken te stagneren. De dalende milieudruk is het gevolg van verschillende maatregelen zoals het inzetten van minder milieubelastende brandstoffen, gebruik van solventarme oplosmiddelen, strengere productnormeringen, end-of-pipe technieken, procesmaatregelen, organisatorische en structurele bedrijfsaanpassingen, productoptimalisatie, inzetten van katalysatoren, energiebesparende maatregelen, inzetten van energie uit duurzame bronnen, WKK’s en good housekeeping. Tal van deze maatregelen werden beleidsmatig ingevoerd via verstrenging van emissiegrenswaarden, lozingsnormen en milieuheffingen voor bepaalde installaties of activiteiten, of door Milieubeleidsovereenkomsten met verschillende industriële deelsectoren.

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht