Deel deze pagina

Verzenden

Eco-efficiëntie van de industrie

De indicator ‘Eco-efficiëntie van de industrie' geeft weer in welke mate de milieudruk gelijke tred houdt met het activiteitsniveau. Er wordt gesproken van ontkoppeling  wanneer de groeisnelheid van een drukindicator (bv. emissie van broeikasgassen) lager is dan de groeisnelheid van de activiteitindicator (bv. bruto toegevoegde waarde). De ontkoppeling is absoluut als de drukindicator stagneert of daalt bij een groei van het activiteitsniveau. De ontkoppeling is relatief als de groei van de drukindicator positief is maar minder groot dan die van de activiteitindicator. Enkel absolute ontkoppeling leidt tot winst voor het milieu.

Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

Bron: MIRA op basis van SVR (HERMREG), OVAM, VMM, VITO
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Belangrijke sector met grote milieudruk

De sector industrie is goed voor ruim een kwart van de Vlaamse bruto toegevoegde waarde en een vijfde van de Vlaamse tewerkstelling. Tussen 2000 en 2014 steeg de bruto toegevoegde waarde van de industrie met 14,2 %, de tewerkstelling (werknemers en zelfstandigen) daalde met 15 %. In 2009 kende de industriële sector een verminderde economische activiteit door de financieel-economische crisis. Door de lagere activiteit daalde de milieudruk in 2009, aan deze daling wordt verder geen specifieke aandacht besteed. De Vlaamse industrie is en blijft economisch gezien een belangrijke sector, door de aard van de activiteiten heeft de industrie echter een grote milieudruk.

Energie gebruik stabiel, absolute ontkoppeling broeikasgasemissie door ETS

De sector industrie neemt 44 % van het totale Vlaamse energiegebruik voor zijn rekening. Het energiegebruik in de industrie daalde licht (-2,3 %) ten opzichte van het jaar 2000, terwijl de economische activiteit gestegen is, hierdoor kan worden gesproken van ontkoppeling. Voor het genereren van een eenheid bruto toegevoegde waarde was er in 2014 14,5 % minder energie nodig dan in 2000. Voor 2005 hielden de economische groei en de het energiegebruik gelijke tred, vanaf 2005 is dit niet langer het geval en schommelt het energiegebruik rond de waarde van 2000. In 2005 trad het Europese Emissiehandelssysteem in werking (zie Toegewezen versus benodigde emissierechten voor bedrijven onder Europees emissiehandelssysteem (ETS)). Het energetische energiegebruik, 60 % van het totale energiegebruik, daalde met 7,4 %. Dit wijst op een hogere energie-efficiëntie bij de verschillende industriële stook-, verwarmings- en aandrijvingsprocessen. Het niet-energetische energiegebruik, waarbij energiedragers worden ingezet als grondstof voor diverse processen, steeg echter met 6,1%. Het niet-energetische energiegebruik komt bijna volledig op naam van de chemische sector. Nafta (een gedestilleerd mengsel van koolwaterstoffen uit ruwe aardolie) neemt 67 % van het totale niet-energetische energiegebruik voor zijn rekening.

28 % van de antropogene uitstoot van broeikasgassen in Vlaanderen is afkomstig van de industrie. Tot 2004 loopt de uitstoot van broeikasgassen in de sector industrie gelijk met het energieverbruik en de economische activiteit. Vanaf 2005, bij de start van ETS, is er een absolute ontkoppeling tussen de economische activiteit en de uitstoot van broeikasgassen. Tussen 2000 en 2014 nam de uitstoot van broeikasgassen af met net geen 19 %. De broeikasgassen, methaan (CH4) en distikstofoxide (N2O), tonen een zeer sterke daling van respectievelijk 59 % en 66 %. Het methaan komt hoofdzakelijk vrij bij het storten van afval, distikstofoxide bij de salpeterzuurproductie en de caprolactamproductie in de chemische sector. In 2014 wordt er 25,6 % minder broeikasgassen uitgestoten per eenheid bruto toegevoegde waarde.

Absolute ontkoppeling van emissies naar lucht

Bij de andere emissies naar de lucht kan er gesproken worden van een absolute ontkoppeling. Emissies van ozonafbrekende stoffen, verzurende stoffen en NMVOS tonen een continu daling. Ten opzichte van 2000 daalden deze emissies respectievelijk met 80 %, 51 % en 57 %.
De emissie van zware metalen kennen enigszins een ander verloop, in de periode 2000 tot 2004 schommelen de waarden zeer sterk en de emissie van zware metalen is zelfs hoger in 2004 dan in 2000. Tussen 2005 en 2008 is er een sterke afname van de emissie van zware metalen, daarna blijft de emissie nagenoeg stabiel. Ten opzichte van 2000 daalde de uitstoot van zware metalen met 59 %. De emissie van fijn stof PM2,5 kent eveneens een grillig verloop, van 2002 tot 2004 en in 2006 is de emissie hoger dan in 2000. Na 2006 begint de ontkoppeling en blijft de uitstoot van fijn stof onder de waarde van 2000, er werd een daling gerealiseerd van 5,7 % ten opzichte van 2000.

Ook water en afval in de goede richting

Het waterverbruik (exclusief koelwater) loopt tot 2006 vrij gelijk met de economische activiteit, hierna volgt een daling van het watergebruik. Vanaf 2008 ligt het watergebruik lager dan in 2000. Wat de CZV-lozing in afvalwater betreft, kan duidelijk worden gesproken van een absolute ontkoppeling, sinds 2000 daalde de CZV-lozing met ruim 55 %.
Voor afval is de tijdsreeks beperkter, na de piek in 2005 daalde de hoeveelheid primair afval en vanaf 2008 blijft deze hoeveelheid onder de waarde van 2004.

Verschillende maatregelen stimuleren ontkoppeling in de sector industrie

In de sector industrie kan er gesproken worden van een absolute ontkoppeling voor de meeste parameters die worden opgenomen. De dalende milieudruk is het gevolg van verschillende maatregelen zoals het inzetten van minder milieubelastende brandstoffen, gebruik van solventarme oplosmiddelen, strengere productnormeringen, end-of-pipe technieken, procesmaatregelen, organisatorische en structurele bedrijfsaanpassingen, productoptimalisatie, inzetten van katalysatoren, energiebesparende maatregelen, inzetten van energie uit duurzame bronnen, WKK’s en good housekeeping. Tal van deze maatregelen werden beleidsmatig ingevoerd via verstrenging van emissiegrenswaarden, lozingsnormen en milieuheffingen voor bepaalde installaties of  activiteiten, of door Milieubeleidsovereenkomsten met verschillende industriële deelsectoren.

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht