Deel deze pagina

Verzenden

Energiegebruik voor wonen

Deze indicator toont het directe energiegebruik van huishoudens gekoppeld aan wonen. Dit is het energiegebruik voor verwarming, ventilatie en koeling van gebouwen, productie van warm water, koken, gebruik van elektrische toestellen en verlichting. Het directe energiegebruik voor personenvervoer valt onder de sector transport. Het indirecte energiegebruik gekoppeld aan de productie van de energiedragers en de andere goederen en diensten die huishoudens gebruiken, wordt niet meegenomen.
Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

* voorlopige cijfers ** energiegebruik door off-road voertuigen (grasmaaiers, bladblazers, quads …)

Bron: Energiebalans Vlaanderen VITO
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Energiegebruik en energie-intensiteit huishoudens vertonen licht dalende trend over periode 2000-2014

De huishoudens waren in 2014 verantwoordelijk voor 13,6 % van het bruto binnenlands energiegebruik van Vlaanderen. Hiermee waren ze de vierde grootste energiegebruiker, na de industrie (44,3 %), de energiesector (19,9 %) en het personen- en goederenvervoer (13,9 %).

Het energiegebruik van huishoudens is voor een groot deel bestemd voor het verwarmen van de woning en varieert dus sterk in functie van de buitentemperatuur. Zo was het energiegebruik van huishoudens in 2014 15 % lager dan het jaar voordien. Dit komt vooral door de zachte winter met een uitzonderlijk laag aantal vorstdagen.

Om te corrigeren voor het verschil in buitentemperatuur tussen jaren wordt het energiegebruik omgerekend naar eenzelfde aantal graaddagen. Het totale graaddagen-gecorrigeerde energiegebruik van huishoudens vertoont een licht dalende trend over de periode 2000-2014. Het gemiddeld energiegebruik per inwoner daalt iets sterker dan het totale energiegebruik maar minder dan het gemiddeld energiegebruik per huishouden. Dat laatste komt omdat de gemiddelde gezinsgrootte afneemt en kleinere gezinnen gemiddeld gezien meer energie per inwoner gebruiken.

Het energiegebruik van Belgische huishoudens is hoog in vergelijking met andere Europese landen: in 2012 stond België op de derde plaats voor het energiegebruik per woning, omgerekend naar gemiddeld EU-klimaat.

Aardgas is belangrijkste energiebron

Aardgas, stookolie, biomassa (hout) en steenkool, samen goed voor ongeveer vier vijfde van het huishoudelijk energiegebruik, worden grotendeels gebruikt voor het verwarmen van de woning. Aardgas blijft stookolie verder verdringen: het aandeel woningen verwarmd op aardgas nam toe van 47 % in 2000 naar 62 % in 2014, terwijl het aandeel woningen verwarmd op stookolie daalde van 39 % naar 27 %. In 2014 had aardgas een aandeel van 39 % in het huishoudelijk energiegebruik, voor stookolie was dat 33 %. Hoewel het aantal woningen dat verwarmd werd op aardgas toenam over de periode 2000-2014, bleef het totale gebruik van aardgas na graaddagencorrectie vrij stabiel. Het gemiddelde aardgasgebruik per woning is dus gedaald.

Het aandeel woningen met hout als hoofdverwarming is beperkt (1,7 % in 2014) maar het gebruik van hout nam wel met een factor 1,5 toe sinds 2000. In 2014 had hout een aandeel van bijna 6 % in het huishoudelijk energiegebruik. Daarmee leverde huishoudelijk houtverbruik een bijdrage van 47 % aan de totale groene warmteproductie in Vlaanderen. Het is echter ook de belangrijkste emissiebron van PAK's en primair fijn stof.

Elektriciteitsgebruik sinds 2004 vrij stabiel

In 2014 had elektriciteit een aandeel van 20 % in het huishoudelijk energiegebruik. In tegenstelling tot aardgas, stookolie, hout en steenkool, is maar een vijfde van het huishoudelijk elektriciteitsgebruik bestemd voor verwarming. Het aandeel woningen met elektriciteit als hoofdverwarmingsbron wordt geschat op 7 %. Hierbij zijn warmtepompen aan een voorzichtige opmars bezig. Uit data van de Inventaris hernieuwbare energiebronnen van VITO blijkt dat het aandeel huishoudens met een warmtepomp of warmtepompboiler toenam van 0,02 % in 2000 (373 installaties) naar 0,5 % in 2014 (13 327 installaties). Hiermee zorgden huishoudelijke warmtepompen en warmtepompboilers in 2014 voor 3,6 % van de totale groene warmteproductie in Vlaanderen. Warmtepompen zijn heel efficiënt: een goede warmtepomp kan voor elke kWh elektriciteit die de compressor verbruikt tussen 3 en 6 kWh nuttige warmte opleveren.

Tussen 2000 en 2004 steeg het huishoudelijk elektriciteitsgebruik met 12 %, nadien bleef het vrij stabiel. In 2014 werd 10,4 % (3,8 PJ ) van het huishoudelijk elektriciteitsgebruik gedekt door de productie van eigen zonnepanelen van huishoudens (installaties < 10kWe).

Energiebesparende maatregelen

In vergelijking met andere Europese landen heeft België een hoog energiegebruik per woning. Het Pact 2020 wil er via de plaatsing van dak- of zoldervloerisolatie, de vervanging van enkel glas en van inefficiënte verwarmingsinstallaties, en via innovaties in de sector voor zorgen dat het energiegebruik van het gebouwenpark tegen 2020 aanzienlijk daalt.

Hoewel uit de tweejaarlijkse enquête van het Vlaams Energieagentschap naar energiebewustzijn en -gedrag blijkt dat de isolatiegraad van het woningenpark licht toegenomen is sinds 2011, had 53 % van de woningen in 2015 nog geen muurisolatie, 18 % had geen dak- of zoldervloerisolatie en 11 % had nog enkel glas.Ook de penetratiegraad van efficiënte verwarmingsketels is toegenomen, maar toch bezat 53 % van de stookoliegebruikers met een individuele CV-installatie nog een gewone ketel in 2015. Bij aardgas was dat 21 %. Wanneer gekeken wordt naar de combinatie van isolatiegraad en verwarmingsinstallatie, blijkt dat 49 % van de woningen een volledig geïsoleerd dak, dubbel glas, en een zuinige CV-ketel heeft. 14 % heeft een volledig geïsoleerd dak, overal HR-glas en een zuinige CV-ketel.

Huurwoningen scoorden gemiddeld slechter dan koopwoningen voor zowel muurisolatie, dak- of zoldervloerisolatie als enkel glas. Uit het Grote Woononderzoek 2013 van het Steunpunt Wonen blijkt bovendien dat de socio‐economische kenmerken van huishoudens een zeer grote invloed hebben op de aanwezigheid van energiebesparende ingrepen.

Meer cijfers

.pdf

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht