Deel deze pagina

Verzenden

Gebruik van biobrandstoffen

Onder ’biobrandstoffen’ verstaan we alle brandstoffen voor transport geproduceerd uit plantaardig of dierlijk materiaal. Biobrandstoffen kunnen helpen om de netto CO2-uitstoot van transport terug te dringen wanneer ze gebruikt worden ter vervanging van fossiele brandstoffen zoals diesel en benzine. Deze indicator beschrijft het gebruik van de diverse soorten biobrandstoffen (biodiesel, bio-ethanol, PPO, etc.) door transport in Vlaanderen.
Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport Ć  la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

Inzet van PPO en andere hernieuwbare brandstoffen is nog verwaarloosbaar voor transport in Vlaanderen.

Bron: MIRA op basis van Energiebalans Vlaanderen VITO
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Doelstellingen

De EU voorziet de inzet van minstens 10 % hernieuwbare energie – biobrandstoffen, groene stroom en waterstof gewonnen uit hernieuwbare energiebronnen – over alle transportmodi heen tegen 2020. Eind 2011 werden in een Koninklijk besluit productnormen voor biobrandstoffen uitgevaardigd in uitvoering van de Europese Richtlijnen 2009/28/EG 'hernieuwbare energie' en 2009/30/EG 'kwaliteit van brandstoffen'. Daarin wordt bepaald dat biobrandstoffen - om verrekend te kunnen worden bij toetsing aan de doelstellingen voor hernieuwbare energie - vanaf 2013 moeten beantwoorden aan een aantal duurzaamheidscriteria. Zo moet de broeikasgasreductie ingevolge gebruik van biobrandstoffen minstens 35 % bedragen ten opzichte van het fossiele alternatief, gemeten over het geheel van de productieketen. Vanaf 2018 wordt dit percentage verder opgetrokken naar 50 % voor bestaande productie-installaties. Nieuwe productie-installaties opgestart na 5 oktober 2015 dienen meteen een broeikasgasreductie van minstens 60 % ten aanzien van fossiele brandstoffen te realiseren. De biobrandstoffen mogen evenmin geproduceerd worden uit grondstoffen afkomstig van land met een grote biodiversiteit (bv. bossen en natuurlijke graslanden). Biobrandstoffen gewonnen uit afvalstromen (tweede generatie biobrandstoffen) mogen dubbel verrekend worden voor toetsing aan de 10 %-doelstelling. In 2015 besliste Europa bijkomend dat de bijdrage van biobrandstoffen van de eerste generatie of zogenaamde conventionele biobrandstoffen tot invulling van de 10 %-doelstelling in 2020 maximaal 7 % mag bedragen. Het saldo dient met andere woorden ingevuld met biobrandstoffen van de tweede of derde generatie dewelke dubbel verrekend mogen worden, en met groene stroom en hernieuwbaar geproduceerde waterstof.

Eerder al legde de Europese Richtlijn 2003/30/EG tegen eind 2005 een aandeel op van 2 % biobrandstoffen in de totale hoeveelheid verbruikte transportbrandstoffen (diesel en benzine). Tegen 2010 stelde diezelfde richtlijn een aandeel van 5,75 % voorop. België heeft deze Europese streefcijfers overgenomen en koos voor een jaarlijkse lineaire toename met 0,75 % tussen 2005 en 2010.

Moeizame start gebruik van biobrandstoffen in Vlaanderen

De inzet van biobrandstoffen was in 2005 en 2006 nog verwaarloosbaar. De doelstellingen voor die 2 eerste jaren zijn dan ook niet gehaald. Nochtans stelde de federale overheid vanaf eind 2005 de bijmenging van biodiesel in fossiele diesel voor 2,45 vol % vrij van accijnzen. Dat was nodig om prijsconcurrentie met gewone diesel en benzine toe te laten. Het accijnsvrije percentage werd nadien nog opgetrokken naar 3,37 vol % in 2006 en 5 vol % vanaf 2008. Voor de bijmenging van bio-ethanol en/of bio-ETBE bij gewone benzine wordt 7 vol % vrijgesteld vanaf de tweede helft van 2006. Het verlaagde accijnstarief gold enkel voor biodiesel en bio-ethanol geproduceerd in België onder de geldende quotaregeling. Eind 2012 werd de accijnsvrije bijmenging verlengd voor 6 bijkomende jaren. Daarbij is nu voorzien om het bijmengpercentage op te trekken van 5 tot 7 vol % voor biodiesel en van 7 tot 10 vol % voor bio-ethanol.

In 2007 kon men in Vlaanderen biodiesel, in bijgemengde vorm op 4,3 à 5 % op volumebasis, tanken bij slechts enkele verdelers (eerste figuur). Zo werd in 2007 voor 2,6 PJ aan biodiesel gebruikt voor wegtransport, wat neerkomt op een aandeel van slechts 1,1 % in de totale hoeveelheid diesel en benzine verbruikt voor vervoersdoeleinden in Vlaanderen. In 2008 lag het biodieselgebruik zelfs nog iets lager op 1,8 PJ.

Bio-ethanol is pas sinds 2008 op de markt in Vlaanderen. Er is dat jaar 0,3 PJ van gebruikt.

Verplichte bijmenging bracht in 2009 kentering op gang

Biodiesel en bio-ethanol waren in 2008 samen goed voor een aandeel van 1,1 % in de totale hoeveelheid diesel en benzine verbruikt voor vervoersdoeleinden in Vlaanderen. Dat lag ver onder de doelstelling van 4,25% voor dat jaar. Daarom besloot de Belgische overheid om vanaf 1 juli 2009 een verplichte bijmenging van 4 vol % biobrandstoffen op te leggen voor de verdeling van klassieke motorbrandstoffen. Midden 2011 werd die bijmengplicht verlengd tot midden 2013 (zonder verhoging van het percentage).

Ook al was de maatregel nog maar een half jaar in voege en werd ook de doelstelling voor aandeel biobrandstoffen voor 2009 (5 %) niet gehaald, het effect ervan was toch al duidelijk merkbaar. Ook het feit dat in 2009 het verbruik van transportbrandstoffen in het wegverkeer bijna 2 % terugviel t.o.v. 2008 heeft daarbij geholpen. 2010 was het eerste volledige jaar met een bijmengplicht. Maar ook dat jaar kwam het biobrandstofgebruik met een aandeel van 4,1 % uit onder de doelstelling voor dat jaar (5,75 %). De kloof tot de doelstelling was daarmee wel sterk verkleind.

In 2011 viel het gebruik van biobrandstoffen wat terug tot 7,3 PJ, ruim 3 % onder het niveau van 2010. Vanaf 2011 is er echter geen specifieke doelstelling meer voor het gebruik van biobrandstoffen door transport, maar wordt gekeken naar de totale inzet van hernieuwbare energiebronnen voor transportdoeleinden. De aftoetsing ten aanzien van de bijhorende doelstelling (10 % in 2020) gebeurt in een andere indicatorfiche.

Vanaf het derde kwartaal van 2014 is het in België verplicht grotere hoeveelheden biobrandstoffen te vermengen. Voor diesel geldt sinds dan een verplicht mengpercentage tussen 5 en 7 volumeprocent (met 7 vol% als maximum, voorheen was dit 4 vol%). Voor benzine E5 geldt een verplicht mengpercentage tussen 3 en 5 vol% en voor benzine E10 geldt een mengpercentage tussen 8 en 10 vol% (Benzine E10 is nog niet effectief beschikbaar op de markt), met respectievelijk 5 vol% en 10 vol% als maxima (eerder was dit 6 vol%). In 2017 wordt het verplicht bijmengpercentage voor benzine trouwens nog opgetrokken naar 8,5 vol%.

De stap naar een verhoogde bijmengplicht deed in 2014 de hoeveelheid biodiesel en bio-ethanol verbruikt in Vlaanderen oplopen tot 9,1 PJ, wat goed is voor een energetisch aandeel van 4,8 % in de totale hoeveelheid benzine en diesel gebruikt door het wegtransport in Vlaanderen.

De tankmogelijkheden voor puur plantaardige olie of PPO in Vlaanderen blijven beperkt. De wetgever wil immers dat enkel landbouwers die zelf koolzaadolie verbouwen deze kunnen verkopen. Begin 2010 bezaten maar 10 landbouwers een vergunning om koolzaadolie te produceren en rechtstreeks te verkopen met accijnsvrijstelling. In de praktijk bleken heel wat praktische hinderpalen een doorbraak van PPO in de weg te staan: zware administratieve procedures, noodzaak om motoren om te bouwen, schommelende graanprijs (waartegen koolzaadteelt in de balans ligt), de afschaffing van diverse premies zoals de premie voor energiegewassen vanaf 2010, tegenvallende oogstopbrengsten etc. De bijdrage van PPO in de totale hoeveelheden geproduceerde of gebruikte biobrandstof blijft dan ook verwaarloosbaar voor Vlaanderen.

Meer info

MIRA-onderzoeksrapport 'Hernieuwbare energie door transport: implicaties van de Europese iLUC-Richtlijn (EU) 2015/1513 rond biobrandstoffen' omtrent neveneffecten van de productie van biobrandstoffen zoals verandering van koolstofopslag in en op de bodem bij wijzigingen in landgebruik (VITO, december 2015).

Meer cijfers

.pdf

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht