Deel deze pagina

Verzenden

Energiegebruik per sector

De vraag naar energie door de verschillende sectoren in Vlaanderen is de sturende kracht voor de ontwikkeling van de energiesector, en in belangrijke mate een verklarende factor voor het verloop van de activiteits- en milieudrukindicatoren van die energiesector.

Deze indicator gaat na hoe het energiegebruik van de verschillende sectoren evolueert.
Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

Bron: MIRA op basis van Energiebalans Vlaanderen (VITO) (WWW.MILIEURAPPORT.BE)
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Tussen 1990 en 2005 kende het bruto binnenlands energiegebruik (BBE) van Vlaanderen een haast continu stijgend verloop (eerste figuur). In 2008 en vooral 2009 zien we het effect van de economische crisis. Daarna vertoont het BBE een eerder schommelend verloop.

Verschillende factoren bepalen de evolutie van het energiegebruik. Concreet is het BBE functie van het activiteitsniveau, de structuur en de energie-intensiteit (= de gebruikte hoeveelheid energie per eenheid activiteit) van de verschillende sectoren. Daarnaast spelen de weersomstandigheden een grote rol, vooral voor wat betreft klimatisatie (verwarming, koeling en/of ventilatie) van gebouwen.

Weersomstandigheden

Zowel bij huishoudens als bij de sector handel & diensten is ruimteverwarming van respectievelijk woningen en bedrijfslokalen de energiefunctie met het grootste aandeel in het totale eindgebruik. Circa 85 % van het gebruik van stookolie, steenkool, butaan, propaan, LPG en aardgas in deze sectoren blijkt klimaatafhankelijk. Bovendien wordt ook 22 % van het stroomverbruik door huishoudens ingezet voor de hoofdverwarming in de woning. In grote kantoorgebouwen is ook een toenemend stroomgebruik voor ruimtekoeling of airconditioning.

Het buitenklimaat heeft ook een invloed op het energiegebruik in de industrie en de landbouw (vooral bij glastuinbouw en intensieve veeteelt), maar het aandeel van dat energiegebruik voor industriële gebouwen is vrij beperkt vergeleken met het totale industriële energiegebruik. Weersomstandigheden hebben tevens invloed op een aantal processen in de industrie, voornamelijk proceskoeling.

Het effect van de winterse weersomstandigheden kunnen we kwantificeren met behulp van het aantal graaddagen. Voor alle dagen in een jaar wordt het aantal graden dat de gemiddelde etmaaltemperatuur onder de 15 °C duikt, opgeteld. Hoe meer graaddagen een jaar heeft, hoe kouder het geweest is en hoe hoger de potentiële verwarmingsbehoefte oploopt als functie van het buitenklimaat. In de achtergrond van de tweede figuur is duidelijk te zien dat de jaren 2013 en vooral 2010 relatief koude jaren waren, terwijl in de jaren 2007, 2011 en zeker 2014 de potentiële verwarmingsbehoefte beduidend lager dan in het referentiejaar 2000.

Activiteiten

De relevante indicator voor de activiteit van huishoudens is het aantal woningen, of bij benadering het aantal huishoudens. Onder invloed van een stijgend bevolkingsaantal en het fenomeen van gezinsverdunning is dat aantal huishoudens (en het aantal gebruikte woningen) in Vlaanderen gestegen met 13 % tussen 2000 en 2014.

Voor de sectoren handel & diensten, industrie en landbouw kunnen we gebruik maken van verschillende indicatoren: bijvoorbeeld bruto toegevoegde waarde of aantal werknemers, of meer specifieke kengetallen zoals aantal ziekenhuisbedden (gezondheidszorg) of productie in fysieke eenheden (bijvoorbeeld ton staal). Omwille van de vergelijkbaarheid tussen sectoren hanteren we de bruto toegevoegde waarde. In Vlaanderen is de bruto toegevoegde waarde in de jaren 1990 in alle sectoren sterk gestegen (in totaal met 27 %). Ook na 2000 bleef het activiteitsniveau gestaag stijgen, in totaal met 23 % tussen 2000 en 2014. Handel & diensten groeide het meest (+26 %) en vrij continu, met enkel een kleine terugval in 2009 door de economische crisis. De industrie kent een minder sterke groei (+14 %), en daar was de terugval in 2008 en 2009 zo groot dat het tot 2012 duurde alvorens het activiteitsniveau van 2007 werd overtroffen. De landbouw liet enkel tot 2006 een groei optekenen (+11 %), en kende sindsdien al 3 keer een terugval. Ook in 2014 bleef de bruto toegevoegde waarde van de landbouw iets onder het niveau van 2006 hangen.

Het activiteitsniveau binnen transport wordt opgevolgd aan de hand van het aantal afgelegde personenkilometers voor personenvervoer en tonkilometers voor goederenvervoer. Het geheel van alle gemotoriseerde verkeersmodi voor personen (auto, moto, bus, tram en trein) laat jaar na jaar een groei optekenen, in totaal met circa 20 % in de periode 2000-2013. Het aantal tonkilometer is sterk gecorreleerd met de economische activiteit in de andere sectoren. Het steeg continu tot in 2007 (+44 % sinds 2000), maar kende dan ook een sterke terugval door de economische crisis.

Het activiteitsniveau in de energiesector (vooral elektriciteitscentrales, raffinaderijen en aardgasdistributie) wordt aangestuurd door de energievraag van de andere sectoren. Het eigen energiegebruik door de energiesector en de transformatieverliezen die optreden bij de omzetting van primaire energievormen (bv. aardolie of steenkool) in energievormen voor de eindgebruikers (bv. benzine of elektriciteit) komen aan bod in een afzonderlijke indicator. Maar dit energiegebruik en de transformatieverliezen zitten wel mee verrekend in het bruto binnenlands energiegebruik.

Structuur

Voor woningen zien we de voorbije jaren in Vlaanderen een langzame verschuiving van eengezinswoningen (gesloten, halfopen of open bebouwing) naar meergezinswoningen (appartementen, studio’s, flats). Rijhuizen en appartementen hebben het voordeel dat ze compacter zijn, met een kleinere energiebehoefte voor verwarming. Maar het aandeel van open en halfopen bebouwing blijft groot in vergelijking met andere Europese landen.

De snellere groei van de (minder energie-intensieve) sector handel & diensten in Vlaanderen resulteert in een toenemend belang van deze sector in de Vlaamse economie, en dit ten koste van het aandeel voor de industrie en de landbouw. Maar binnen de industrie houden de deelsectoren met een intensief energiegebruik zoals ijzer & staal, non-ferro en chemie goed stand in Vlaanderen, ondanks de mindere jaren na de bankencrisis van 2008.

Bij transport zien we voor het personenverkeer een lichte verschuiving naar publiek transport zoals trein, tram en bus. Voor het goederenvervoer vertoonde het aandeel van wegtransport een stijging tussen 2000 en 2009, met daarna slechts een beperkte terugval. De meer milieuvriendelijke modi spoor en binnenvaart slaagden er niet in het aandeel wegverkeer in het totale goederenvervoer te verkleinen.

Energie-intensiteit

Energie-intensiteit, of het specifieke energiegebruik per eenheid activiteit, is het omgekeerde van energie-efficiëntie. Hoe groter de energie-efficiëntie (hoeveelheid activiteit verricht per eenheid energie), hoe kleiner de energie-intensiteit.

De energiekwaliteit van het gebouwenbestand in Vlaanderen is sedert 2006 toegenomen. Dat is vooral te verklaren door regulering (de omzetting van de Europese Richtlijn over de energieprestatie van gebouwen) voor nieuwbouw, en door talloze informatieve en financiële prikkels van overheidswege (subsidies, leningen, belastingaftrekken) voor isolatie en renovatie van gebouwen. De transitie naar een duurzaam woningenpark verloopt langzaam, doordat Vlaanderen een (ver)oud(erd) woningenpark heeft en het sloop- en renovatiepercentage in Vlaanderen beneden het Europees gemiddelde ligt.

Voor de industrie zijn de mogelijke kostenbesparing en de (vrijwillige) overeenkomsten tussen de overheid en de vertegenwoordigers van de deelsectoren een drijfveer om over te gaan tot energiebesparende maatregelen.

De energie-efficiëntie van voertuigen wordt hoofdzakelijk bepaald door Europese wetgeving.

Besluit

Voorgaande paragrafen illustreren dat het energiegebruik door de verschillende sectoren wordt beïnvloed door meerdere factoren. Het ontwarren van de invloed van elk van die individuele factoren is geen evidentie.

Sinds 2000 nam de omvang van de economie (bruto binnenlands product of BBP) toe met 23 %, de bevolking groeide aan met 8 % en het aantal particuliere huishoudens zelfs met 13 %, de transportstromen groeiden aan met respectievelijk 20 % voor personen en 28 % voor goederen enz. Toch blijft het bruto binnenlands energiegebruik na een eerdere stijging sinds 2008 schommelen rond het niveau van het jaar 2000 (eerste figuur). Daardoor kunnen we wel in algemene termen stellen dat toenemende energie-efficiënte een verdere toename van het energiegebruik door groei van de activiteiten in grote mate heeft gecompenseerd. En daarnaast blijkt ook het klimaat een belangrijke invloed te hebben op dit BBE: de schommelingen in aantal graaddagen werkt duidelijk door in het energiegebruik van de huishoudens, handel & diensten en in mindere mate de landbouw (tweede figuur).

Meer cijfers

.pdf

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht