Deel deze pagina

Verzenden

Energiegebruik per energiedrager

Deze indicator geeft het verloop van de vraag naar energie in Vlaanderen weer, opgedeeld naar type energiedrager. De vraag per type energiedrager is een sturende kracht voor de ontwikkeling van de energiesector, en in belangrijke mate een verklarende factor voor het verloop van de activiteits- en milieudrukindicatoren van die energiesector.

De keuze van energiedrager hangt af van een aantal factoren, voornamelijk technische, economische en gedragsfactoren. Ook beschikbaarheid of leveringszekerheid van energiedragers speelt een rol. Deze factoren verschillen bovendien van sector tot sector. Tot slot wordt de energiemix voor een groot deel bepaald door de aandelen van energiefuncties in het totale finaal energiegebruik en hun energie-intensiteiten (of energie-efficiënties).

Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport Ć  la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

Bron: MIRA op basis van Energiebalans Vlaanderen (VITO) (WWW.MILIEURAPPORT.BE)
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Uiteenlopende evolutie

Mede door de zachtere wintermaanden vertonen de meeste energiedragers een daling van 2013 naar 2014. Uitzondering hierop is vooral de netto import van stroom uit andere gewesten en/of het buitenland (+28,2 PJ of +72 %), naast de toegenomen elektriciteitsproductie uit wind, water en PV (+1,2 PJ of +11 %) en het gebruik van petroleumproducten (+5,7 PJ of +1 %).

Kolen op de terugweg

Voornamelijk staalbedrijven (71 % in 2014), enkele elektriciteitscentrales (17 %) en de chemische industrie (8 %) gebruiken nog steenkool, cokes of koolteer. Het gebruik van die vaste fossiele brandstoffen is met iets meer dan de helft afgenomen in de periode 1990-2014. Dit komt vooral door minder steenkoolgebruik bij elektriciteitsproductie (-83 % in 2014 t.o.v. 1990) en in mindere mate door de sluiting van een cokesfabriek in 1996 en het bijna verdwijnen van steenkool als brandstof voor de verwarming van woningen (-79 % in 2014 t.o.v. 1990).

Het losbreken van de financieel-economische crisis in 2008 – met een verminderde vraag naar o.a. staal tot gevolg – deed ook het industriële gebruik van steenkool en cokes nog sneller teruglopen in 2008 en 2009. In 2010 veerde het gebruik van vaste fossiele brandstoffen in de industrie weer op naar het niveau van 2007.

Het aandeel vaste fossiele brandstoffen in het totaal Vlaams bruto binnenlands energiegebruik of BBE bedroeg 8,0 % in 2014. In 1990 was dit nog 19,9 %.

Aandeel petroleumproducten of vloeibare fossiele brandstoffen onaangetast

De consumptie van vloeibare brandstoffen zoals zware stookolie, huisbrandolie, diesel en benzine kende wel een stijging (+15 % in 2014 t.o.v. 1990). Deze valt in belangrijke mate te verklaring door de verhoogde inzet sinds midden jaren '90 van nafta voor de productie van o.a. propeen en etheen in de chemische industrie (niet-energetisch energiegebruik; van 58 PJ in 1990 naar 201 PJ in 2000). Daarnaast speelt ook de sterke, aanhoudende toename van het dieselgebruik bij het wegtransport (van 86 PJ in 1990 naar 155 PJ in 2014). Sinds 2005 kende het totaal verbruik aan petroleumproducten in Vlaanderen wel een terugval (-14 % in 2014 vergeleken met 2005), die wordt vastgesteld bij alle sectoren behalve het (weg)verkeer. Het gebruik van huisbrandolie door de huishoudens en bij handel & diensten volgt in belangrijke mate de evolutie van het buitenklimaat in de wintermaanden, maar vertoont daarnaast ook een netto daling voornamelijk door overstap van stookolie op aardgas voor centrale verwarming.

Petroleumproducten stonden in 2014 in voor 39,9 % van ons bruto binnenlands energiegebruik. Dit aandeel blijft al meer dan 10 jaar vrij constant.

Opgang aardgas abrupt onderbroken

De gasvormige brandstoffen kenden tussen 1990 en 2010 zowel een stijging in hun consumptie (+140 %) als in hun aandeel in het BBE (29 % in 2010 t.o.v. 17 % in 1990). De belangrijkste oorzaken hiervan waren het toegenomen gebruik van aardgas in de energiesector en de industrie (investeringen in STEG's en WKK), een uitzonderlijke toename in de chemische sector door het niet-energetisch gebruik van aardgas voor de productie van o.a. ammoniak, en de sterk gestegen populariteit van aardgas voor zowel gebouwenverwarming als (in mindere mate) de bereiding van warm tapwater. Bij de huishoudens was het gebruik van aardgas met 83 % gestegen in 2010 t.o.v. 1990, bij handel & diensten zelfs met 161 %.

Na 2010 kende het fossiele gasgebruik echter een belangrijke terugval, tot -27 % in 2014. Deze evolutie is grotendeels terug te brengen tot de sterk verminderde inzet van aardgasgestookte elektriciteitscentrales (-50 %) en WKK's (-35 %). Vooral aardgasgestookte centrales bleken immers niet langer rendabel omdat ze bij lagere beursprijzen voor elektriciteit gemakkelijk aan- en afgekoppeld worden naargelang van de stroomvraag en doordat steeds meer groene stroom met voorrang op het elektriciteitsnet komt. Zo zakte de gebruiksgraad van de gascentrales op 1 jaar tijd al van 69 % in 2010 tot beneden de 49 % in 2011, en bleef die daling verder aanhouden in de jaren nadien. Voorts speelde na 2010 ook het effect van 
zachtere wintermaanden op het aardgasgebruik voor de verwarming van gebouwen (huishoudens, handel & diensten; -24 % in 2014).

Het is bovendien onzeker of aardgas in de toekomst dominant blijft voor gebouwenverwarming (en levering van warm tapwater). De toenemende isolatie van bestaande gebouwen en het bouwen van bijna nul-energie woningen kan zorgen voor een toenemend gebruik van alternatieve systemen. Voorbeelden daarvan zijn warmtepompen en zonneboilers, al dan niet aangevuld met elektrische verwarming. Dat zou dan wel tot een toename van elektrische verwarming leiden, zij het met een groot aandeel van hernieuwbare energie (aardwarmte of zon).

De evolutie van het gebruik van hoogoven- en cokesovengas hangt nauw samen met het gebruik van vaste brandstoffen in de ijzer- en staalindustrie. In Vlaanderen produceert enkel ArcelorMittal te Gent nog deze restgassen. ArcelorMittal verkoopt een gedeelte van het hoogovengas als brandstof aan de elektriciteitssector.

Fossiele brandstoffen blijven instaan voor vier vijfde van het energiegebruik  

Fossiele brandstoffen (kolen, petroleumproducten, gassen en andere brandstoffen) blijven de energiemix in Vlaanderen domineren. Al sinds 1990 schommelt hun aandeel in het BBE rond de 80 %. 

De opkomst van hernieuwbare energiebronnen blijft bescheiden: in 2014 waren de inzet van biomassa en de primaire stroomproductie uit wind-, water- en zonne-energie respectievelijk goed voor 4,2 % en 0,8 % van het BBE.

Aandeel kernenergie loopt stilaan terug

De aanwending van splijtstoffen door de kerncentrales is met 22 % gedaald in 2014 t.o.v. 1990. In 2011 piekte de inzet van kernbrandstof nog op 244 PJ of een stijging met 17 % t.o.v. 1990. Toch nam in de periode 1990-2011 het nucleair aandeel in het BBE wat af van 17,4 % naar 15,5 % door de toename van het BBE bij een onveranderd aantal kernreactoren. Na 2011 viel eerst de reactor Doel 3 en nadien ook Doel 4 voor langere tijd uit. Dat deed de bijdrage van kernenergie tot het BBE nog verder teruglopen tot 11,1 % in 2014.

Meer cijfers

.pdf

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht