Deel deze pagina

Verzenden

Energie- en koolstofintensiteit van Vlaamse economie

Bij de energie-intensiteit wordt nagegaan hoe de evolutie verloopt van het bruto binnenlands energiegebruik (BBE) per eenheid bruto binnenlands product (BBP).

Bij de koolstofintensiteit daarentegen gaan we na hoe de hoeveelheid energiegerelateerde CO2-emissie (incl. procesemissies in de chemie en emissies t.g.v. het niet-energetisch verbruik van brandstoffen) verloopt per eenheid BBP.

Om het effect van inflatie (indexaanpassingen) daarbij uit te schakelen wordt het BBP telkens uitgedrukt in kettingeuro’s ten opzichte van een referentiejaar.
Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

* energie-intensiteit = hoeveelheid bruto binnenlands energiegebruik (BBE) per eenheid bruto binnenlands product (BBP; uitgedrukt in kettingeuro's met referentiejaar 2005) ** koolstofintensiteit = hoeveelheid CO2 uitgestoten door energiegebruik (incl. procesemissies in industrie en emissies door het niet-energetisch gebruik van brandstoffen) per eenheid van bruto binnenlands product (BBP; uitgedrukt in kettingeuro's met referentiejaar 2005)

Bron: MIRA op basis van EIL (VMM), VITO en SVR (WWW.MILIEURAPPORT.BE)
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Doelstellingen

Ter verbetering van de energie- (en koolstof-)intensiteit streeft de Vlaamse Regering naar een vermindering van het energiegebruik met 20 % ten opzichte van het verwachte niveau in 2020 bij ongewijzigd beleid (doelstelling Pact 2020).

De Europese Richtlijn Energie-efficiëntie van 2006 verplichtte de lidstaten om het finale energiegebruik van activiteiten die niet onder het Europees Emissiehandelssysteem (ETS) vallen te beperken en de energie-efficiëntie ervan te verhogen. Deze verplichting is overgenomen in het Vlaams Actieplan Energie-efficiëntie, dat aangeeft hoe Vlaanderen tegen 2016 een besparing van het energiegebruik met 9 % nastreeft op het jaargemiddelde finaal binnenlands energiegebruik van de periode 2001-2005 (telkens enkel op de fractie die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2006/32/EC valt). Dit betreft geen absolute reductie, maar een reductie gerealiseerd door bijkomend beleid ten opzichte van de evolutie bij ongewijzigd beleid. Naast de ETS-installaties vallen ook enkele andere energiegebruiken niet onder deze doelstelling, namelijk het niet-energetische energiegebruik (gebruik van brandstoffen als grondstof in de industrie), het energiegebruik in de niet-ETS-installaties bij producenten van elektriciteit & warmte en petroleumraffinaderijen, en de brandstoffen voor binnenlands luchtverkeer. Deze uitsluitingen en het feit dat de doelstelling geformuleerd is ten opzichte van energiegebruik bij ongewijzigd beleid, maken dat de toetsing hiervan niet direct kan afgelezen worden uit de evolutie van de algemene energie-efficiëntie van Vlaanderen.

De EU heeft in oktober 2012 de nieuwe Richtlijn Energie-efficiëntie 2012/27/EU goedgekeurd. Deze richtlijn vervangt zowel de WKK-richtlijn van 2004 als de Richtlijn Energie-efficiëntie van 2006, behalve de artikels uit deze laatste die betrekking hebben op de 9 % streefwaarde in 2016. De doelstelling van de nieuwe richtlijn is o.a. om in de Europese Unie tegen 2020 het energiegebruik t.o.v. een business-as-usual scenario te verminderen met 20 %. Het derde Vlaams Actieplan Energie-efficiëntie is in 2014 ingediend bij de Europese Commissie. Het beschrijft de voortgang van de beleidsmaatregelen uit het tweede Vlaams actieplan van juni 2011 en geeft een inschatting van de gerealiseerde besparingen eind 2012. Uit de berekeningen voor het derde actieplan energie-efficiëntie blijkt dat eind 2012 in totaal 16 499 GWh energie werd bespaard in de te beschouwen niet-ETS sectoren. De streefwaarde voor 2016 (16 959 GWh) werd hierdoor in 2012 al bijna gerealiseerd. De besparingsprognoses voor 2016 en 2020 zijn eveneens opgenomen in het Derde Vlaamse Actieplan. Hieruit blijkt dat eind 2016 een energiebesparing van 14 % haalbaar is, wat merkelijk hoger is dan de streefwaarde van 9 % uit de eerste richtlijn.

Trend naar een minder energie-intensieve economie zet verder door

Tussen 2003 en 2009 realiseerde Vlaanderen een duidelijke ontkoppeling tussen de economische groei en het energiegebruik. Daardoor daalde de energie-intensiteit van de Vlaamse economie met bijna 7 % tussen 2000 en 2009. Die verandering van de energie-intensiteit was zowel het gevolg van :
  • structurele effecten (verschuivingen van het belang van sectoren in de Vlaamse economie); als van
  • wijzigingen in de energie-efficiëntie (bv. wijzigend energiegebruik per eenheid product of dienst).

De financieel-economische crisis remde de trend echter af in 2008 en 2009. Zo viel bijvoorbeeld in de erg energie-intensieve industriële deelsector chemie het activiteitsniveau sterker terug dan het totaal energiegebruik. En voor nieuwe investeringen in energiebesparende technologie werden bedrijven geconfronteerd met aangescherpte criteria voor kredietverstrekking.

In 2010 werd de trend zelfs abrupt onderbroken: de energie-intensiteit van Vlaanderen nam weer toe (+6 % in 1 jaar). De extreem koude wintermaanden van 2010 spelen hier een belangrijke rol, met name bij het energiegebruik door huishoudens, handel & diensten en de glastuinbouw. Maar daarnaast nam het energiegebruik in industriële installaties dat jaar veel sneller toe dan het algemeen productieniveau.

In de jaren 2011-2014 kon, geholpen door enkele jaren met zachte wintermaanden en een verminderde niet-nucleaire stroomproductie, opnieuw aangepikt worden bij de algemeen dalende trend die in 2004 is ingezet. De energie-intensiteit ligt inmiddels 23 % beneden het peil van 2000.

Diverse aanpak

Bij de interpretatie van de energie-intensiteit is het belangrijk oog te hebben voor de grote diversiteit tussen de sectoren. Voor woningen en gebouwen van de sector handel & diensten stimuleert de overheid al jaren een verbetering van de energetische kwaliteit, zowel via normering (het energieprestatiepeil of EP voor nieuwbouw), via financiële stimuli (premies, zachte leningen en belastingaftrekken) voor hoofdzakelijk betere isolatie van de gebouwschil en voor meer efficiënte verwarmingssystemen, en tot slot via sensibilisering. De verbetering van de energie-efficiëntie voor het Vlaamse gebouwenpark is echter afhankelijk van de nieuwbouw-, renovatie- en sloopratio’s. En deze liggen Vlaanderen relatief laag in vergelijking met de rest van Europa, en ons gebouwenbestand is relatief verouderd.

Voor het verbeteren van de energie-efficiëntie (en de koolstofintensiteit) van de industrie en de energiesector rekent de overheid vooral op (vrijwillige) overeenkomsten, en het Europese systeem van emissierechten.

Het energiebeleid rond transport is nog vrij beperkt, met vooral fiscale maatregelen voor het stimuleren van wegvoertuigen die minder CO2 uitstoten. Integratie met ruimtelijke ordening om een verschuiving naar meer energie- en milieuvriendelijke transportmodi te bevorderen kan in de toekomst nog voor een belangrijke bijdrage zorgen.

Internationale vergelijking

Ondanks bovenvermelde daling van de energie-intensiteit, scoort Vlaanderen minder goed ten opzichte van de meeste andere West-Europese landen. De energie-intensiteit van Vlaanderen daalde tussen 2003 en 2014 met 23 %, van 8,61 PJ/miljard euro naar 6,63 PJ/miljard euro. Deze evolutie houdt ongeveer gelijke tred met de reducties gerealiseerd door België (-23 %), onze buurlanden (-18 % à -30 %) en het geheel van de EU28 (-21 %). Maar door het hogere vertrekpunt blijven Vlaanderen en België een beduidend hogere energie-intensiteit hebben dan de buurlanden. Vlaanderen heeft er alle belang bij de energie-intensiteit verder terug te dringen, omdat die reductie ook een belangrijke bijdrage levert voor de realisatie van de doelstellingen rond hernieuwbare energie en voor het terugdringen van de broeikasgasemissies.

Vlaamse economie 30 % minder koolstofintensief dan in 2000

Sinds 2000 is de Vlaamse economie 30 % koolstofarmer geworden. Sinds 2004 ontstond er een absolute ontkoppeling tussen de economische groei en de energiegerelateerde CO2-uitstoot. Daar waar het BBP jaar na jaar bleef stijgen met enkel een terugval in 2009-2010, nam de energiegerelateerde CO2-uitstoot steeds verder af. Samen maakt dit dat de koolstofintensiteit daalde van 456 naar 319 g CO2/euro tussen 2000 en 2014.

Alhoewel deze curve in zekere mate een gelijkaardig verloop kent met de energie-intensiteit, ligt de koolstofintensiteit systematisch lager door de omschakeling naar koolstofarmere brandstoffen. Vaste brandstoffen met een hoge CO2-emissiefactor werden vervangen, voornamelijk door aardgas met een lagere CO2-emissiefactor (bv. shift bij stroomproducenten van klassieke steenkoolcentrales naar meer efficiënte gascentrales; overstap van steenkool en vooral aardolie naar aardgas voor gebouwenverwarming) en door biomassa (bv. ombouw van of bijstook in steenkoolcentrales; opkomst van pelletkachels) die als CO2-neutraal kan beschouwd worden. Ook de andere hernieuwbare energiebronnen ondersteunen de evolutie naar een koolstofarme economie.

Meer cijfers

.pdf

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht