Deel deze pagina

Verzenden

Emissie van broeikasgassen (CO2, CH4, N20, SF6, NF3, PFK's, HFK's) door de energiesector

De indicator volgt per deelsector op wat de emissie is voor de korf van broeikasgassen die onder het Kyoto-protocol vallen: CO2, CH4, N2O, SF6, NF3, PFK's en HFK's.

Aan de hand van hun opwarmend vermogen (global warming potential of GWP) kunnen de emissies van deze gassen gesommeerd worden, en uitgedrukt in kton CO2-equivalenten. De gebruikte GWP-waarden betreffen 1 voor CO2, 25 voor CH4, 298 voor N2O, 22 800 voor SF6, 17 200 voor NF3, 11 à 14 900 voor de verschillende HFK's en 7 390 à 17 700 voor de verschillende PFK's.

Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport Ć  la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

* steenkoolmijnen en cokesfabrieken; ** voorlopige cijfers

Bron: MIRA (VMM) op basis van EIL (VMM)
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Broeikasgasemissies 28 % onder niveau 1990, daling vooral de laatste jaren

In 2014 stootte de energiesector 17 726 kton CO2-equivalenten aan broeikasgassen uit, 28 % minder dan in 1990 en 26 % minder dan in 2000. In een periode van 20 jaar, tussen 1990 en 2010 daalde de emissie van broeikasgassen maar gering (- 7 % tussen 1990 en 2010). De laatste vier jaar, tussen 2010 en 2014 is er grotere emissiereductie (- 22 % tussen 2010 en 2014).

Nog meer dan bij andere sectoren bestaat de uitstoot van broeikasgassen door de energiesector voornamelijk uit CO2: 97,3 % (in 2014), vooral afkomstig van de verbranding van fossiele brandstoffen. De rest van de emissies betreft 2 % CH4 (voornamelijk lekverliezen bij distributie, transporten opslag van aardgas), 0,6 % N2O (onvolledige verbranding) en 0,04 % SF6 (lekverliezen bij isolatie van apparatuur in hoogspanningsposten).

In de jaren 90 leverden vooral de stopzetting van activiteiten in de steenkoolmijnen en van de enige losstaande cokesfabriek de grootste netto daling op. In de periode sinds het jaar 2000 werd vooral de CO2-uitstoot in conventionele elektriciteitscentrales ingeperkt, voor de helft gebeurde dat pas vanaf het jaar 2011.

De emissiereductie bij de productie van elektriciteit & warmte is vooral te wijten aan de afname met vier vijfden van de inzet van steenkool in conventionele thermische elektriciteitscentrales tussen 2000 en 2014. Tot 2010 werd dit opgevangen door een verhoogde inzet van het minder koolstofintensieve aardgas (+ 40 %) en koolstofneutrale biomassa (+ 550 %). Vanaf 2011 bleef de inzet van biomassa ongeveer status quo, maar nam naast steenkool ook de inzet van aardgas af (- 62 % in 2014 t.o.v. 2010). Ook de totale nettostroomproductie daalde vanaf 2011, in 2014 ligt deze 6 % lager dan in 2010.

De dalende emissies afkomstig van de klassieke thermische elektriciteitscentrales worden ten dele teniet gedaan door de toenemende uitstoot bij warmtekrachtkoppelingsinstallaties (WKK’s) (een toename met 58 % tussen 2000 en 2012, maar in 2014 opnieuw een reductie met 26 % t.o.v. 2012). Maar over de verschillende sectoren heen zorgen WKK's wel voor een netto daling van de broeikasgasuitstoot: de emissietoename bij de energiesector is kleiner dan de emissiereducties in de andere sectoren waar geen brandstoffen meer verbruikt worden om warmte afzonderlijk te produceren.

De emissies van broeikasgassen door de petroleumraffinaderijen kenden afgelopen decennia een eerder licht schommelend verloop maar zijn globaal gezien op hetzelfde niveau gebleven (de broeikasgasuitstoot  in 2014 van deze deelsector ligt 1 % lager dan in 2000 en 9 % hoger dan in 1990). 

Bij de opslag, transport & distributie van aardgas blijven de lekverliezen van methaan uit transport- & distributieleidingen de belangrijkste component in de broeikasgasuitstoot.  De verdere uitbreiding van het aardgasdistributienetwerk in Vlaanderen beperkt ten dele de emissiereducties gerealiseerd door de vervanging van bestaande, meer permeabele leidingen (staal, gietijzer, vezelcement) door leidingen van polyvinylchloride (PVC) of poly-etheen (PE) met een emissiefactor die per lopende meter een factor 10 tot 100 lager ligt. 

 

Gros broeikasgasuitstoot onder Europees systeem emissiehandel

Het overgrote deel van de broeikasgassen die de energiesector uitstoot, wordt gereguleerd door het Europees emissiehandelssysteem (ETS). Zo viel in de eerste handelsperiode (2005 - 2007) gemiddeld 90 % van de broeikasgasuitstoot onder het ETS-systeem, en dit aandeel is nog verder opgelopen tot gemiddeld 92 % in de tweede handelsperiode (2008 –2012). Een derde handelsperiode startte in 2013 en zal eindigen in 2020. Het overgrote deel van de productie-installaties van elektriciteit en warmte en alle petroleumraffinaderijen vallen onder het ETS systeem. Enkel de uitstoot bij afvalverbrandingsinstallaties met energierecuperatie en enkele WKK’s met een klein vermogen vallen niet onder het ETS, evenals de lekverliezen bij de aardgasdistributie. 

Voor meer informatie omtrent het Europees emissiehandelssysteem: zie beide onderstaande indicatoren.

 

Meer cijfers

.pdf

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht