Deel deze pagina

Verzenden

Grondwaterstand

Het is om twee redenen belangrijk de evolutie van de grondwaterstanden op te volgen. Omwille van de hoge en stabiele kwaliteit pompen heel wat bedrijven en drinkwatermaatschappijen grondwater op om het te gebruiken als proceswater en drinkwater. Als de grondwaterstanden dalen, moet er dieper gepompt worden of moet er overgeschakeld worden op andere bronnen. Een daling van de grondwaterstanden kan ook een nadelige invloed hebben op de kwaliteit van het grondwater. Daarnaast beïnvloedt de stand van het ondiepe grondwater in grote mate de vegetatie. Een daling van het ondiepe grondwater kan negatieve gevolgen hebben voor de natuur en de landbouw.

De VMM beschikt over een uitgebreid net van meetfilters waar de grondwaterstand regelmatig opgevolgd wordt, zowel in freatische als niet-freatische watervoerende lagen. De meetresultaten van 802 meetfilters werden individueel statistisch geanalyseerd voor de periode 2010-2015. Eerst werd nagegaan of een meetreeks een statistisch significante trend vertoont, met name of er sprake is van een monotone trend in een bepaalde richting. Als dat het geval was, werd de grootte van de trend berekend (in meter per jaar) en in klassen ingedeeld:

  • 0-0,05 m/j = kleine daling/stijging
  • 0,05-0,1 m/j = matige daling/stijging
  • 0,1-0,5 m/j = grote daling/stijging
  • > 0,5 m/j = zeer grote daling/stijging
Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

Bron: MIRA op basis van VMM (WWW.MILIEURAPPORT.BE)
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

In freatische grondwaterlagen vaker geen trend

Ongeveer 56 % van de geanalyseerde meetreeksen vertoont geen statistisch significante trend over de periode 2010-2015, 20 % vertoont een daling en 24 % is gestegen. Freatische meetfilters vertonen relatief vaker geen statistisch significante trend. Van de freatische meetfilters vertoont 78 % geen trend, tegenover 37 % van de niet-freatische meetfilters. Freatische meetfilters reageren snel op de weersomstandigheden die vaak een wisselend karakter hebben. Daardoor vertonen de grondwaterstanden van freatische lagen minder vaak een uitgesproken trend.

Klimatologische omstandigheden beïnvloeden peil freatische grondwaterlagen

Van de freatische meetfilters vertoont 5 % een significante stijging en 18 % een significante daling. Klimatologische omstandigheden spelen wellicht een doorslaggevende rol in de algemene trend van de freatische grondwaterlagen voor Vlaanderen. De aanvulling van het grondwater gebeurt vooral in de winter maar is ook afhankelijk van de neerslag en de hoeveelheid water die verdampt gedurende het hele jaar. In de periode 2010-2015 vertoonde de neerslag in de winterhelft van het jaar weinig of geen trend, nam de jaarneerslag licht af en was er een toename van de potentiële evapotranspiratie met vooral hoge waarden in 2014 en 2015. Bovendien was de periode augustus tot en met november 2010 erg nat met hoge grondwaterstanden tot gevolg in het begin van de geanalyseerde periode. De tweede helft van 2015 was dan weer eerder droog met vooral lage grondwaterstanden aan het einde van de geanalyseerde periode. Al deze elementen samen verklaren waarom er meer dalende dan stijgende freatische grondwaterstanden waren. De analyse van de relatieve grondwaterstandindicator die gerapporteerd wordt op de website van de Databank Ondergrond Vlaanderen (LINK) geeft een gelijkaardig beeld. Die indicator geeft per dag aan in welke mate de grondwaterstand afwijkt van de grondwaterstand gedurende de voorbije 30 jaar en houdt geen rekening met locaties die onder sterke antropogene invloed (bv. grondwaterwinningen) staan. Op die manier spelen enkel de effecten van klimatologische omstandigheden. In de periode 2010-2015 nam het aandeel meetplaatsen met relatief (zeer) hoge grondwaterstanden af, terwijl het aandeel meetplaatsen met relatief zeer lage grondwaterstanden toenam.

In diepere waterlagen duidelijk meer stijgingen dan dalingen

Bij de meetfilters in niet-freatische waterlagen worden duidelijk meer stijgingen dan dalingen vastgesteld (40 tegenover 23 %). De waargenomen trends zijn grotendeels te verklaren door grondwaterwinning. Klimatologische variatie kan voelbaar zijn in niet-freatische lagen, maar het effect van die variatie is klein in vergelijking met de antropogene beïnvloeding door waterwinning. Bij de niet-freatische grondwaterlagen worden op meerdere plaatsen (zeer) grote stijgende trends vastgesteld. Die zijn waarschijnlijk het gevolg van lokale of regionale maatregelen om de afbouw van grondwaterwinningen te stimuleren. Er zijn echter ook meetfilters met dalende trends, wat illustreert dat er uit sommige lagen nog steeds te veel grondwater opgepompt wordt.

Omdat de trends vaak sterk verschillen naargelang de laag en het gebied, is er een aanpak op maat door een gedifferentieerd grondwaterheffingen- en vergunningenbeleid.

Merendeel grondwaterlichamen in goede kwantitatieve toestand

Bij de opmaak van de tweede generatie stroomgebiedbeheerplannen is de kwantitatieve toestand van de grondwaterlichamen uitgebreid geëvalueerd voor 2012. Daarbij werden 5 criteria in rekening gebracht. Naast de trendanalyse van de grondwaterstanden werd ook nagegaan of de waterwinningen in het beschouwde grondwaterlichaam een invloed hebben op de toestand van aangrenzende waterlichamen. Vervolgens werden de mogelijke indringing van zout water van buiten het grondwaterlichaam door antropogene invloeden en het risico op beluchting van gespannen grondwaterlichamen bekeken. Tot slot werden ook de mogelijke effecten op grondwaterafhankelijke terrestrische ecosystemen geanalyseerd. De resultaten geven aan dat de 26 freatische grondwaterlichamen in goede toestand zijn en dat 8 van de 16 gespannen grondwaterlichamen in slechte kwantitatieve toestand verkeren. Deze uitgebreide analyse wordt in principe om de 6 jaar herhaald.


DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht