Deel deze pagina

Verzenden

Potentieel verzurende emissie

Deze indicator toont het verloop van de potentieel verzurende emissie in Vlaanderen. De emissies van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx, uitgedrukt als NO2) en ammoniak (NH3) worden bij elkaar geteld tot de som van potentieel verzurende emissie. Die som wordt uitgedrukt in zuurequivalenten (Zeq), waarbij het zuurvormende vermogen van elke stof in rekening wordt gebracht. De term potentieel verzurende emissie wordt gebruikt omdat de actuele verzuring ook sterk afhangt van de processen die zich afspelen op het traject tussen emissie en depositie en van de diverse processen in de bodem en het (oppervlakte)water.

NH3, NOx en SO2 spelen naast hun rol als potentieel verzurende stof ook een rol bij de vorming van secundair fijn stof via aerosolvorming. NOx is een ozonprecursor en NH3 en NOx hebben een vermestend effect.

Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

Omdat de verschillende verzurende stoffen een verschillend potentieel zuurvormend vermogen hebben, wordt de totale potentieel verzurende emissie uitgedrukt in zuurequivalenten (Zeq): één zuurequivalent komt overeen met 32 gram SO2, 46 gram NO2 of 17 gram NH3.

Bron: VMM (www.milieurapport.be)
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Verzurende emissie sterk teruggedrongen

Tussen 1990 en 2014 daalde de verzurende emissie met 67 %. Dit is voor een groot deel te danken aan de aanzienlijke daling van de SO2-emissie (-88 %). De NH3- en NOx-emissies daalden in deze periode allebei met 52 %. De landbouw is veruit de belangrijkste bron van verzurende emissie (45 % in 2014), gevolgd door transport (23 %) en industrie (17 %).

In het MINA-plan 4 (2011-2015) zijn voor de verzurende polluenten emissiedoelstellingen opgenomen tegen 2015. De doelstelling van 49,4 kton voor SO2 werd gehaald in 2010 en  de NH3-emissiedoelstelling van 45 kton in 2012. Dit is (nog) niet het geval voor de totale NOx-emissiedoelstelling (110,4 kton). Hiervoor moet nog een beperkte inspanning gebeuren tegen 2015 vermits in 2014 nog 111,1 kton uitgestoten werd.

De amendering van het protocol van Göteborg in 2012 leidde tot aangescherpte emissieplafonds tegen 2020 voor België. In een beslissing van de Interministeriële Conferentie Leefmilieu (ICL) (27/04/2012) werd de verdeling van de inspanningen over de gewesten vastgelegd voor de stationaire bronnen, voor de niet-stationaire bronnen dient deze verdeling nog te gebeuren. Voor Vlaanderen bedragen de plafonds voor stationaire bronnen 56,9 kton voor NOx, 41,2 kton voor NH3 en 44,5 kton voor SO2. De Belgische plafonds voor niet-stationaire bronnen bedragen 68 kton voor NOx, 1 kton voor NH3 en 1 kton voor SO2.

Weinig evolutie in de NH3-emissie in het laatste decennium

De NH3-emissie leverde met 44,6 kton in 2014 de grootste bijdrage (44 %) aan de verzurende emissie, uitgedrukt in zuurequivalenten, en is voor het overgrote deel (94 %) toe te schrijven aan de landbouw. De NH3-emissie daalde met 22 % tussen 2000 en 2014 door de afbouw van de veestapel, de lagere stikstofinhoud van het veevoeder, de emissiearme aanwending van dierlijke mest op akkers en weiden, de bouw van emissiearme stallen en de toenemende mestverwerking. Sedert 2005 is het verloop van deze emissie vlak omdat de licht stijgende veestapel, de mestverwerking en de uitbreiding van emissiearme stallen elkaar in evenwicht hielden.

 

NOx-emissie daalt geleidelijk verder

 

NOx-emissie levert met 111,1 kton in 2014 de tweede grootste bijdrage (40 %) tot de verzurende emissie.

 

De sector transport draagt voor meer dan de helft bij aan de NOx-emissie (55 % of 61 kton in 2014). Het grote aandeel dieselwagens in het personenwagenpark heeft een negatieve invloed op de NOx-emissie. Dieselwagens stoten namelijk meer NOx uit dan benzinewagens. De NOx-emissies in reële rijomstandigheden liggen bovendien een stuk hoger dan in de testomstandigheden vastgelegd voor de EURO-normering. Daarnaast werd met het schandaal rond Volkswagen (‘dieselgate’) duidelijk dat de testcyclus bij sommige automodellen bewust gemanipuleerd werd om de testresultaten te verlagen. Het luchtkwaliteitsplan voor NO2, dat op 30 maart 2012 werd goedgekeurd, streeft naar een verlaging van het aandeel dieselwagens tot 61,1 %. De aanpassing van de belasting op inverkeersstelling (BIV) in 2012 en de verdere vergroening van de verkeersbelasting in 2016 dragen hiertoe bij. Het aandeel dieselwagens daalde de laatste jaren licht en bedroeg nog 61,8 % in 2014. Meer informatie over NOx-emissie van de sector transport en de specifieke maatregelen om deze te doen dalen is te vinden in de indicatoren ‘Emissie van ozonprecursoren’ en ‘Emissie van luchtpolluenten door transport: NOx, NMVOS, PM2,5 en SO2’.

De sector industrie heeft de tweede grootste bijdrage aan de NOx-emissie (20 % in 2014). De emissie daalde tijdens de financieel-economische crisis in 2008-2009. In 2010 trok de economie terug aan met stijgende NOx-emissies tot gevolg. Na 2010 daalden de emissies terug en bereikten in 2014 een niveau net onder dat in 2009. In 2009 werd een milieubeleidsovereenkomst (MBO) afgesloten met de chemische nijverheid, het afgesproken emissieplafond tegen 2013 werd tijdig gehaald. Ook met de glasindustrie werd in 2009 een MBO voor NOx-emissiereductie afgesloten.

De emissies van de sectoren energie en landbouw hebben een aandeel van telkens 9 %. Bij de sector energie werd reeds de grootste emissiereductie gerealiseerd (-75 % tussen 2000 en 2014). Een MBO 2005-2009 met de elektriciteitssector voorzag vanaf 2008 in strengere emissieplafonds. In 2010 ondertekenden de Vlaamse overheid en de elektriciteitsproducenten een nieuwe MBO voor de periode 2010-2014. De NOx-emissie van de huishoudens en handel en diensten is gerelateerd aan de verwarmingsbehoefte en lag in 2014 (net als in 2011) lager dan in de 2 voorgaande jaren omwille van de zachte winter.

Sterke daling van SO2-emissie gevolgd door stagnatie

In 1990 had de SO2-emissie het grootste aandeel (43 %) in de verzurende emissie, tegen 2014 was dit de kleinste bijdrage (16 %) met 31,3 kton. De grootste daling viel te noteren tussen 1990 en 2010 en is voor een belangrijk deel te danken aan opeenvolgende EU-richtlijnen die het zwavelgehalte beperken in brandstoffen voor transport, industriële processen en energieopwekking. Na 2011 stagneert de SO2-emissie.

De sectoren industrie en energie zijn de voornaamste SO2-emissiebronnen (respectievelijk aandeel van 52 % en 30 %). De industriële emissies komen vooral van de metaalsector en overige industrie, en in mindere mate van de chemie. De emissies daalden door de overschakeling op brandstoffen met minder zwavel en door de MBO’s met de chemische nijverheid en de glasindustrie (zie ook NOx-emissie). In de sector energie komt de voornaamste bijdrage van petroleumraffinaderijen en deze emissie daalde door de aanscherping van de emissiegrenswaarden in VLAREM II en door de MBO’s afgesloten met de elektriciteitsproducenten (zie ook NOx-emissie).

Huishoudens dragen via de gebouwenverwarming in 2014 voor 14 % bij aan de SO2-emissie. De overschakeling naar gasvormige brandstoffen en de daling van het zwavelgehalte van stookolie resulteerde in een sterke emissiedaling.

De sector transport heeft slechts een zeer geringe bijdrage tot de SO2-emissie. Doordat brandstof voor wegverkeer nog amper zwavel bevat, is de emissie van deze deelsector quasi tot nul herleid. De SO2-emissie van de binnenvaart daalde nog drastisch in 2011 door de verlaging van het zwavelgehalte van binnenvaartdiesel van 0,1 % naar 0,001 %.

Meer cijfers

.pdf

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht