Deel deze pagina

Verzenden

Nitraat in grondwater in landbouwgebied

Nitraat komt in het grondwater terecht door (over)bemesting en insijpeling van stikstofhoudend water. Te hoge nitraatconcentraties bemoeilijken bepaalde gebruikstoepassingen van grondwater zoals de productie van drinkwater. Bovendien kan nitraatrijk grondwater dat aan de oppervlakte komt, aanleiding geven tot eutrofiëring en dus verstoring van natuurwaarden.

Deze indicator toont de resultaten van de meetcampagnes sinds 2004 in het MAP-meetnet grondwater met ongeveer 2100 meetputten, die meestal op drie dieptes (‘filters’) en tweemaal per jaar bemonsterd worden. De kwetsbaarheid van watervoerende lagen voor nitraatvervuiling kan sterk verschillen. Ze hangt af van een aantal kenmerken van de ondergrond zoals de hydraulische doorlaatbaarheid en de reductiecapaciteit. In kwetsbare zones is de densiteit aan meetputten groter dan in minder kwetsbare zones dit om beter met risicofactoren rekening te houden. Om toch een gemiddelde nitraatconcentratie voor Vlaanderen te kunnen bepalen, wordt eerst een gemiddelde concentratie per hydrogeologisch homogene zone (HHZ) bepaald waarna gewogen wordt volgens het landbouwareaal van de zones. HHZ’s zijn zones waarbinnen nitraatverspreiding en nitraatafbraak op een vergelijkbare manier in de hiermee geassocieerde watervoerende lagen gebeurt.  Het MIRA-achtergronddocument Vermesting (p 77-78) geeft meer uitleg over de HHZ's en hun codes, die ook in onderstaande kaartjes gebruikt worden.

Het 4e actieprogramma voor de Nitraatrichtlijn voor de periode 2011-2014 (MAP4) had als doelstelling voor grondwater om tegen 2014 de gewogen gemiddelde nitraatconcentratie in de bovenste filter van het grondwatermeetnet met minimum 4 mg nitraat per liter te verlagen ten opzichte van 2010 tot maximum 36 mg nitraat per liter. In het kader van het MAP5 is de ambitie om de gewogen gemiddelde nitraatconcentratie in de bovenste filter van het grondwatermeetnet tegen 2018 verder te doen dalen tot maximum 32 mg nitraat per liter.

Voor grondwater is bovendien een bijkomende regionale aanpak voorzien in MAP4 en MAP5. Zo zijn er bijkomende doelstellingen voor grondwater vooropgesteld in zones waar in 2010 op filterniveau 1 gemiddeld meer dan 50 mg nitraat per liter werd gemeten. Voor deze zones moest de concentratie tegen eind 2014 met gemiddeld minimum 5 mg nitraat per liter gedaald zijn. Tegen eind 2018 is een verdere daling met gemiddeld minimum 5 mg nitraat per liter noodzakelijk, vertrekkend van de referentietoestand van 2014.

Ten slotte wordt op lokaal niveau ingezet op de aanpak van meetputten met een gemiddelde nitraatconcentratie van meer dan 2 x de drempelwaarde van 50 mg nitraat per liter (≥ 100 mg nitraat per liter) op filterniveau 1. De doelstelling is om de nitraatconcentratie van deze individuele putten met minimum 10 % per actieprogramma te verminderen.

Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Verloop

Positieve evolutie zet zich recent niet door

De recente input van nitraat naar het grondwater heeft hoofdzakelijk impact op de zone van de bovenste filter (filter 1). Over de periode 2007-2016 bekeken, is de gewogen gemiddelde nitraatconcentratie van filter 1 langzaam gedaald en dit met ongeveer 1,3 mg nitraat per liter per jaar. Het doel voor 2014 (maximaal 36 mg nitraat per liter ) werd gehaald. In 2015 en 2016 zijn de gemiddelde gewogen nitraatconcentraties lichtjes gestegen, mogelijks onder invloed van de weerssituatie: door de droge en warme omstandigheden in de zomer en het najaar van 2015 en 2016 zijn verhoudingsgewijs minder eerste filters bemonsterd door droogstand of te beperkte watervoeding. De oorzaak van de bijkomende stijging in 2016 ten opzichte van 2015 is echter onduidelijk. Als de meerjarige trend, op basis van een lineaire regressie van de meetresultaten in de periode 2007-2016 zich doorzet, is het doel van MAP5 (afname van de concentraties tot minder dan 32 mg nitraat per liter in 2018) nog altijd denkbaar. De nitraatconcentraties moeten dan wel opnieuw duidelijk gaan dalen.

Het percentage meetpunten dat de nitraatnorm overschrijdt, vertoont een vergelijkbare evolutie met een duidelijke daling tot en met 2014 die zich echter niet doorzet in 2015 en 2016. Sinds 2014 is er een status quo opgetreden en schommelt het overschrijdingspercentage rond 34 %.

Sinds eind 2009 daalt de gemiddelde concentratie eveneens voor het tweede filterniveau. In 2015 en 2016 zet die daling zich echter niet meer door. Omwille van de grotere reis- en verblijftijden van het grondwater worden de diepste, bemonsterde watervoerende lagen in mindere mate bereikt. De evoluties voor filter 3 zijn dan ook minder uitgesproken. Toch is er ook hier een daling merkbaar sinds 2009 en een stagnatie in 2015 en 2016.

De nitraatmaxima per put vertonen regionale verschillen (eerste kaartje). De Polders en het zuidelijke Netebekken zijn gebieden met weinig nitraatvervuiling. Het percentage normoverschrijdingen in de Hoogterrasafzettingen gelegen in Limburg blijft hoog (69 %). In de zones van zuidelijk Oost- en West-Vlaanderen bestaat een zeer heterogene situatie met meetpunten die afwisselend een goede en een slechte kwalitatieve toestand vertonen. De putten in het Pajottenland ten westen van Brussel zijn gekenmerkt door veel overschrijdingen. Opvallend is ook de accumulatie aan ontoereikende meetpunten in het Hageland en ten zuiden ervan. Voor een stuk is dit waarschijnlijk te wijten aan diepe grondwaterstanden met bijgevolg trage responstijden, zodat het hier over ‘oudere’ nitraatcontaminaties gaat.

Per HHZ wordt de recente trend bepaald met een lineaire regressie op de meetgegevens van de periode 2013-2016. Dat levert een heterogeen beeld op (tweede kaartje). 14 HHZ’s vertonen een daling, 4 blijven min of meer gelijk, 10 stijgen licht en 10 stijgen met meer dan 5 mg nitraat per liter over de beschouwde periode.

In 13 van de 38 HHZ’s werd in 2010 een gemiddelde nitraatconcentratie gemeten die hoger was dan 50 mg nitraat per liter. Deze gebieden omvatten samen 23 % van het Vlaamse landbouwareaal. Volgens de doelstellingen van MAP4 moet in deze gebieden de nitraatconcentratie dalen met minimum 5 mg nitraat per liter per actieprogramma. 7 van deze 13 zones haalden deze doelstelling in 2014 (=einde actieprogramma MAP4). Van de overige 6 HHZ’s zijn er 5 die wel een verbetering vertonen, maar die is onvoldoende. De resterende HHZ met overschrijding in 2010 vertoont een duidelijke stijging van de nitraatconcentratie in 2014 tegenover 2010. Om een inschatting te maken van het mogelijke doelbereik in 2018 werd de trend voor 2013-2016 per HHZ geëxtrapoleerd naar 2018. Die analyse geeft aan dat, volgens de trend 2013-2016, in 2018 de gemiddelde nitraatconcentratie van het grondwater onder 83,3% van het Vlaamse landbouwareaal lager zal zijn dan 50 mg nitraat per liter of zal afnemen met minstens 5 mg nitraat per liter ten opzichte van referentiejaar 2014. Als de huidige trend zich doorzet, wordt onder 16,7% van het areaal in 2018 een achteruitgang van de waterkwaliteit verwacht (tot) boven de kwaliteitsnorm van 50 mg nitraat per liter.

MAP4 vraagt ook bijzondere aandacht voor putten die tijdens het referentiejaar 2010 hogere nitraatconcentraties dan 100 mg/l op filterniveau 1 hadden. Doelstelling is de concentraties in slecht scorende putten te doen dalen met minimum 10 % per actieprogramma. Verder mag het nergens tot een verslechtering van de nitraatconcentraties komen tot boven de drempel van 100 mg nitraat per liter. Op basis van het verschil tussen de resultaten van 2010 en 2014 werd een inschatting gemaakt van het doelbereik in 2014. Uit die analyse blijkt dat bijna 92 % van de putten in 2014 voldoet aan deze doelstelling of nitraatconcentraties heeft van minder dan 100 mg nitraat per liter. Om een inschatting te maken van het mogelijke doelbereik in 2018 werd de trend voor 2013-2016 van de betrokken meetputten geëxtrapoleerd naar 2018, waarbij het referentiejaar verplaatst werd naar 2014. Ca. 89 % van deze meetputten beantwoordt aan de lokale doelstellingen van het 5e actieprogramma hetzij omdat zowel de meetresultaten in 2014 als de voorspelde nitraatgehalten in 2018 voldoen aan de drempel van 100 mg nitraat per liter (82,7 %) hetzij omdat volgens de trendlijn 2013-2016 in 2018 een verbetering van de nitraatconcentratie gerealiseerd wordt van minstens 10 % t.o.v. het referentiejaar 2014 (6,0 %). Voor 1,6 % van de meetputten wordt een afname verwacht die echter onvoldoende is om de doelstellingen te halen (minder dan 10 % afname). In ca. 9,8 % van de gevallen voorspelt de statistiek een verdere toename van de nitraatconcentraties.

Het Mestrapport 2017 gaat verder in op de regionale en lokale verschillen en op het doelbereik in 2018 o.b.v. trendextrapolaties.

Gebieden waar de nitraatnorm van 50 mg nitraat per liter in het oppervlaktewater wordt overschreden of waar de evolutie van de nitraatconcentratie in het grondwater onvoldoende vooruitgang toont, worden aangeduid als focusgebieden. De eerste afbakening van de focusgebieden was geldig voor de jaren 2011 en 2012. Sindsdien wordt de afbakening van de focusgebieden jaarlijks geëvalueerd en bijgestuurd. Voor 2017 werd 222 533 ha van het landbouwareaal als focusgebied aangeduid. Daarvan ligt 24 390 ha landbouwgrond in gebieden die in 2017 voor het eerst afgebakend worden als focusgebied. Anderzijds zijn er ook een aantal gebieden, goed voor een landbouwareaal van 16 598 ha, die in 2016 nog in focusgebied lagen maar in 2017 niet meer. Die gebieden hebben de bonus die ze vorig jaar opgebouwd hadden, verzilverd. Binnen het focusgebied 2017 is er een areaal van 27 494 ha dat een bonus opgebouwd heeft. Als er het volgende winterjaar in die gebieden geen overschrijdingen zijn in het oppervlaktewater en als de evolutie van het grondwater gunstig blijft, kunnen die gebieden in 2018 niet-focusgebied worden.

Resultaten per meetpunt kunnen opgevraagd worden via de Databank Ondergrond Vlaanderen.

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht