Deel deze pagina

Verzenden

Eco-efficiëntie in Vlaanderen

Grondstoffen, in de vorm van ruwe grondstoffen en (half)afgewerkte producten, zijn onmisbaar om onze samenleving en onze economie in het bijzonder draaiende te houden. Ontginningen en de daaropvolgende productie- en consumptieprocessen zorgen echter voor heel wat milieudruk, denk onder meer aan afval, broeikasgassen en fijn stof. Verschillende beleidsniveaus stellen zich tot doel de milieudruk of milieu-impact van productie en consumptie los te koppelen van economische activiteiten en meer bepaald de economische groei, m.a.w. de eco-efficiëntie van de samenleving en de economie te verhogen. 

 

 

Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

* voorlopig; ** excl. nieuwe/secundaire grondstoffen en o.m. bouw-en sloopafval, grond…

Bron: Milieurapport Vlaanderen (VMM) op basis van SVR, VMM, VITO en OVAM (www.milieurapport.be)
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Een van de doelstellingen van het Pact 2020 blijft onverminderd de verdere ontkoppeling van de economische activiteiten en het geheel van emissies en afvalproductie tegen 2020. Dit moet gerealiseerd worden door een gestaag stijgende materiaal- en energie-efficiëntie in de verschillende maatschappelijke sectoren.

De langdurige trend van relatieve ontkoppeling tussen BBP en energiegebruik in de periode 2000-2010 is vanaf 2011 voorzichtig geëvolueerd naar een trend van absolute ontkoppeling

Tussen 2003 en 2009 realiseerde Vlaanderen een relatieve ontkoppeling tussen de economische groei en het energiegebruik. De energie-intensiteit van de Vlaamse economie – uitgedrukt als het bruto binnenlands product (BBP) ten opzichte van het bruto binnenlands energiegebruik (BBE) – daalde met bijna 7 % tussen 2000 en 2009. In 2008 en 2009 remde de financieel-economische crisis deze trend echter af, en in 2010 is de trend omgebogen: de energie-intensiteit nam toe met 5 % in vergelijking met 2009. De extreem koude wintermaanden speelden een belangrijke rol in de BBE-cijfers van 2010. Dit resulteerde in een stijgend energiegebruik bij de huishoudens, handel en diensten en de glastuinbouw, terwijl ook het energiegebruik in industriële installaties sneller toenam dan het algemeen productieniveau. Na opnieuw een beperkte groei van het BBP in 2011 bleef dit in de periode 2011-2013 nagenoeg onveranderd – de economie stagneerde onder invloed van de gevolgen van de economische crisis, terwijl het BBE in die periode aanzienlijk schommelde (met maximaal + 2,1 % of – 4,9 %). Het BBE lag in 2013 0,5 % onder het niveau van 2000, terwijl het BBP over dezelfde periode gestegen is met 22,5 %. In 2014 is er een grote daling van het BBE op te tekenen (van bijna 6,5 %), terwijl het BBP groeide met bijna 1,5 %.

Uit dit alles kan worden afgeleid dat er over de hele periode 2000-2014 sprake is geweest van een absolute ontkoppeling tussen het energiegebruik en de economische groei: het BBE daalde met bijna 7 %, terwijl het BBP steeg met bijna 24,5 %. 

Het waterverbruik is in de periode 2000-2012 absoluut ontkoppeld van de economische groei

In de periode 2000-2012 vertoonde het totaal waterverbruik (exclusief koelwater) een daling van meer dan 5 %, wat een absolute ontkoppeling inhoudt van de economische groei (het BBP groeide in dezelfde periode met 21,8 %). Vooral in 2006-2009 was er een sterke daling (met 5,8 %), vooral in het verbruik van oppervlaktewater (met meer dan 25 %), wellicht mee onder invloed van de financieel-economische crisis. Maar in 2009-2011 was er dan weer een stijging in het totaal waterverbruik (excl. koelwater) van meer dan 3,6 %, om in 2012 stabiel te blijven. Het leiding- en het grondwaterverbruik vertoonden in de periode 2000-2012 een daling (in 2012 ongeveer 5 % lager voor leidingwater dan in 2000), zeer waarschijnlijk onder invloed van het overheidsbeleid.

Afval en emissies zijn absoluut losgekoppeld van de economische groei  (met uitzondering van  polycyclische aromatische koolwaterstoffen – PAK's)

Met uitzondering van de emissie van PAK's zijn over de periode 2000-2014 de emissies en de hoeveelheid afval in Vlaanderen losgekoppeld van de economische groei (absolute ontkoppeling).

Zo is over de periode 2000-2013 het huishoudelijk afval per inwoner gestaag afgenomen, vooral sinds 2007 (daling van 3,3 % tegenover 2000). Dit is onder meer ten gevolge van het beleid dat prijssignalen geeft aan de huishoudens via tariefdifferentiatie. Dit betekent dat de plandoelstellingen voor huishoudelijk afval in het MINA-plan 4 (2011-2015) respectievelijk al sinds 2001 (totale hoeveelheid huishoudelijk afval) en 2009 (restafval) werden gehaald.

Voor primair bedrijfsafval is er vanaf 2004 tot 2012 (ondanks een grillig verloop met een aanvankelijke stijging in 2005) een daling van de hoeveelheid primair bedrijfsafval (exclusief bouw- en sloopafval, slib en verontreinigde grond) van bijna 14 %. De hoeveelheid bedrijfsafval vanuit de industrie daalde over de periode 2004-2012 sterker dan dat de bruto toegevoegde waarde van deze sectoren steeg: de hoeveelheid bedrijfsafval is dus in absolute zin losgekoppeld van de economische groei. Of dit laatste zal betekenen dat de bijhorende plandoelstellingen tegen 2015 gehaald worden, is nog niet duidelijk.

De algemeen dalende trend in emissies tot 2009 werd in 2010 omgebogen.

Zo namen de broeikasgasemissies tussen 2009 en 2010 toe in alle sectoren, met de grootste stijging bij industrie en huishoudens. Deze stijging kan toegeschreven worden aan een heropleving van de economie na de financieel-economische crisis en de zeer strenge winter in 2010, waarna er zich in 2011 weer een sterke daling (van bijna 7,5 %) voordeed door een milde winter.

De emissie van fijn stof (PM2,5) laat voor 2000-2014 een daling van bijna 17 % zien. In de periode 2001-2009 waren er kleine jaarlijkse schommelingen, maar de emissie van fijn stof kende aanzienlijke stijgingen – zeker in 2010 (met bijna 15 %) en in iets mindere mate voor de periode 2011-2013 (met meer dan 13 % tegenover 2011). Vooral de sectoren energie, transport en landbouw kenden de grootste reductie van PM2,5-emissies. Maar in de periode 2011-2013 worden deze dalingen teniet gedaan door een aanzienlijke stijging bij de huishoudens (sterk weersafhankelijk, maar ook door het stijgend aandeel van gebruik van vaste brandstoffen voor de gebouwenverwarming). De zeer zachte winter verklaart dan ook de grote daling in 2014 tegenover 2013 (met 15,8 %).

De emissies van potentieel verzurende stoffen liepen over 2000-2014 fors terug (met bijna 47 %). De NOx-emissies hadden in 2014 met 40 % een bijna even grote bijdrage tot de verzurende emissies als NH3 (meer dan 43,5 %). Ondanks een daling in de NOx-emissies van bijna 42,5 % zijn deze nog te hoog, vooral ten gevolge van het grote aandeel dieselwagens en het stijgende vrachtverkeer. De emissies van NH3 en SO2 kenden sterke dalingen om nadien te stagneren (respectievelijk vanaf 2007 en 2011).

Voor de stikstofbelasting van het oppervlaktewater is er een sterke daling in de periode 2000-2014 (voor huishoudens bijna - 53 % en bedrijven bijna - 63 %; de landbouw wordt hierbij buiten beschouwing gelaten, omdat de gegevens van deze sector voor de jaren 2012 tot en met 2014 niet beschikbaar zijn). De daling van de stikstofbelasting van het oppervlaktewater kwam vooral tot stand door de systematische uitbreiding en verbetering van de openbare waterzuivering en de inspanningen van de bedrijven. De stikstofverliezen van de landbouw liggen in 2010 bijna 15 % lager dan in 2000, maar de daling is aanzienlijk kleiner dan bij de huishoudens en de bedrijven.

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht