Deel deze pagina

Verzenden

Blootstelling bevolking aan fijn stof

De grenswaarden van de Europese Richtlijn Luchtkwaliteit (2008/50/EG) hebben als doel de bevolking te beschermen tegen de schadelijke effecten van luchtverontreiniging. Het is daarom niet alleen nuttig om de overschrijdingen op individuele meetplaatsen te kennen. Het is ook belangrijk om te weten hoeveel mensen blootgesteld worden aan te hoge concentraties van fijn stof.
Op basis van de interpolatie van metingen (RIO-interpolatie), weliswaar onderhevig aan bepaalde onzekerheden, en de bevolkingsaantallen in gebieden van 4 x 4 km kan men het aandeel inschatten van de bevolking blootgesteld aan concentraties fijn stof hoger dan de Europese grenswaarden. Bij de interpretatie van de data moet men er rekening mee houden dat de concentratie en blootstelling representatief is voor de gebieden van 4 x 4 km. Meer lokaal kunnen de concentraties en blootstelling dus hoger of lager zijn. Om een gedetailleerder beeld te krijgen binnen een gebied van 4x4 km kan RIO gekoppeld worden aan het IFDM-model. Met IFDM berekent men, met behulp van meteogegevens, het effect van lokale emissies door wegverkeer en industriële puntbronnen op de verspreiding van de concentraties. Voor het jaar 2015 werden zowel resultaten berekend met RIO als met het RIO-IFDM-model. Voor alle voorgaande jaren werd enkel gebruik gemaakt van RIO.
Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

reeksen gewijzigd door aanpassing RIO-methodologie, resultaten 2015 zowel geldig voor RIO als voor RIO-IFDM

Bron: VMM/IRCEL (www.milieurapport.be)
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Europese doelstellingen vertaald

De Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn uitgedrukt als concentraties in de lucht. Het MINA-plan 4 (2011-2015) stelt als doel dat de gezondheidsimpact als gevolg van luchtverontreiniging vermindert tegen 2015. Voor fijn stof betekent dit dat de bevolking niet meer blootgesteld wordt aan overschrijdingen van de EU-grenswaarden. Voor PM10 is het doel dat het percentage van de Vlaamse bevolking dat gedurende meer dan 35 dagen blootgesteld wordt aan daggemiddelde PM10-concentraties van meer dan 50 μg/m³ daalt tot 0 tegen 2015. Voor PM2,5 geldt dat het percentage van de Vlaamse bevolking dat blootgesteld wordt aan jaargemiddelde PM2,5-concentraties hoger dan 25 µg/m3 daalt tot 0 tegen 2015.

Blootstellingsdoelen gehaald in 2015

Het aandeel van de bevolking dat op meer dan 35 dagen blootgesteld werd aan te hoge daggemiddelde PM10-concentraties, weergegeven in de eerste figuur, kende een wisselend verloop tot 2008. In 1997 werd nog bijna de hele Vlaamse bevolking blootgesteld aan te veel overschrijdingen. Ook in het voor fijn stof meteorologisch ongunstige jaar 2003 was een groot deel van de bevolking meer dan 35 dagen blootgesteld. Sinds 2008 was nog hoogstens 1 % van de bevolking blootgesteld boven de PM10-daggrenswaarde, het jaar 2011 vormde daarop een uitzondering. Sinds 2013 haalt Vlaanderen deze norm voor de ganse bevolking. Wat betreft blootstelling boven de PM10-jaargrenswaarde toont de figuur dat enkel in 1997 en in 2003 een noemenswaardig deel van de bevolking in Vlaanderen blootgesteld werd aan jaargemiddeldes boven 40 µg/m3. Voor de blootstelling aan PM2,5 haalde Vlaanderen het doel 2015 van het MINA-plan 4 reeds vanaf 2007. Ook wanneer de berekeningen gebeuren met het meer gedetailleerde RIO-IFDM-model blijkt dat alle grenswaarden gerespecteerd werden in 2015.

Meer ambitieuze doelen voor de bescherming van de gezondheid wenselijk

De blootstellingsdoelen 2015 van het MINA-plan 4 zijn gelinkt aan de EU-grenswaarden voor de daggemiddelde PM10-concentraties en de jaargemiddelde PM2,5-concentraties. Hoewel Vlaanderen de blootstellingsdoelen haalde bedroeg de gezondheidsimpact door fijn stof uitgedrukt in DALY’s (Disability Adjusted Life Year of potentieel verloren gezond levensjaar) nog steeds ongeveer 1 gezond levensjaar per 100 inwoners in 2015. De hieraan gelinkte externe gezondheidskost bedroeg ongeveer 4 miljard euro voor Vlaanderen als geheel. Een verdere verscherping van de doelen voor fijn stof dringt zich dan ook op. Ook Brunekreef et al. (2015) stelden dat de huidige Europese grenswaarden voor fijn stof niet ambitieus genoeg zijn en er voldoende wetenschappelijke evidentie is die aantoont dat er ook onder deze grenswaarden schadelijke effecten optreden voor de gezondheid.
Met name de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) stelt dat er voor fijn stof geen ondergrens is waaronder geen schadelijke effecten voor de gezondheid voorkomen. Volgens de WGO mag de daggemiddelde PM10-concentratie maar maximaal 3 keer per jaar boven 50 μg/m³ uitkomen. In 2015 haalde Vlaanderen deze advieswaarde op geen enkele meetplaats. Wat de Vlaamse bevolking als geheel betreft toont de tweede figuur weliswaar een verschuiving van het aantal overschrijdingsdagen naar de lagere waardes. Echter, tussen 1997 en 2015 was bijna niemand in Vlaanderen maar maximaal 3 dagen per jaar blootgesteld aan een overschrijding van het PM10-daggemiddelde, zoals het WGO-doel voorschrijft. In 2015 bleef dit volgens de berekening met het RIO-IFDM-model nog steeds beperkt tot 4 % van de bevolking.

De WGO-advieswaarde voor het PM10-jaargemiddelde bedraagt 20 µg/m³. Drie meetplaatsen, nl Moerkerke, Houtem en Zaventem, haalden deze advieswaarde in 2015. De RIO-IFDM-modelberekeningen geven aan dat 20 % van de bevolking in Vlaanderen blootgesteld was aan een overschrijding van die advieswaarde. De advieswaarde van 10 µg/m3 voor de jaargemiddelde PM2,5-concentratie werd op geen enkele meetplaats gehaald in 2015. 94 % (RIO-IFDM) van de bevolking werd blootgesteld aan jaargemiddeldes die de WGO-advieswaarde overschreden. De WGO geeft bovendien ook een advieswaarde voor de daggemiddelde PM2,5-concentratie en stelt dat die maximaal 3 keer per jaar de waarde van 25 μg/m³ mag overschrijden. De waardes lagen in 2015 tussen 22 en 49 dagen. Deze doelstelling ligt nog ver buiten bereik. De volledige Vlaamse bevolking werd aan deze overschrijding blootgesteld.
Om de WGO-advieswaarden te halen zullen de emissies van fijn stof en haar voorlopers verder moeten dalen. Daarvoor zijn zowel inspanningen op nationaal als op Europees niveau nodig. Over het beperken van de emissies van NOx, SO2 en fijn stof door middelgrote stookinstallaties werd in 2015 een akkoord bereikt. In juni 2016 werd na lang onderhandelen een voorlopig akkoord bereikt inzake de herziening van de nationale emissieplafonds (National Emission Ceilings of NEC). Het is positief dat er voor het eerst ook doelen zijn voor de uitstoot van primair fijn stof, naast ook doelen voor de precursoren van fijn stof (NH3, NOx, SO2 en NMVOS). Verder inzetten op het verminderen van emissies door woningverwarming, de industrie, off-road mobiele machines en de scheepvaart, alsook op een daling van de ammoniakemissies door de landbouw zijn aangewezen. Van de 2020-doelen gaat echter weinig ambitie uit. In België werden ze voor alle polluenten reeds gehaald in 2014, behalve voor NOx. De initieel door de Europese Commissie voorgestelde 2030-doelen werden verder afgezwakt in het voorlopige akkoord.
Gezien het grensoverschrijdend karakter van de problematiek van fijn stof zijn internationale akkoorden inderdaad nodig. Maar om de gezondheidsimpact sneller en effectiever te verminderen is het aangewezen dat lokaal bijkomende maatregelen genomen worden. Een voorbeeld hiervan is het instellen van lage-emissiezones (LEZ), zoals gepland in Antwerpen vanaf 1 februari 2017.

 

Meer info

 Meer info over de gemiddelde blootstellingsindex kan men vinden bij de indicator jaargemiddelde PM2,5-concentratie en over de gezondheidsimpact bij de indicator verloren gezonde levensjaren (DALY's) door blootstelling aan fijn stof.

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht