Deel deze pagina

Verzenden

Emissie van primair fijn stof 

Fijn stof is een mengsel van afzonderlijke deeltjes (vloeibare of vaste), met uiteenlopende samenstellingen en afmetingen in de lucht. Deze stofdeeltjes kan men indelen op basis van de grootte of de samenstelling. Stofdeeltjes kunnen rechtstreeks uitgestoten worden (primair) of kunnen gevormd worden uit gasvormige stofprecursoren (secundair). De secundaire stofdeeltjes hebben een klein formaat. De grootte van de deeltjes is van belang voor de gezondheidseffecten. Hoe kleiner de deeltjes hoe dieper ze in de longen kunnen doordringen. Ook de samenstelling van de stofdeeltjes heeft invloed op de gezondheidseffecten.

Deze indicator bespreekt de rechtstreekse uitstoot van de fracties totaal stof (TSP of total suspended particles), PM10, PM2,5 en EC (elementair koolstof) in Vlaanderen, opgedeeld per sector:
  • Totaal stof slaat op alle zwevende stofdeeltjes die in de lucht blijven zweven. De aerodynamische diameter van deze deeltjes kan tot ongeveer 100 µm gaan.
  • PM10 is de fractie van de zwevende stofdeeltjes met een aerodynamische diameter kleiner dan 10 µm.
  • PM2,5 is de fractie van de zwevende stofdeeltjes met een aerodynamische diameter kleiner dan 2,5 µm
  • EC of elementair koolstof (elemental carbon) is niet ingedeeld volgens grootte maar volgens samenstelling. Deze deeltjes zijn restproducten van verbrandingsreacties.
Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

De industriële emissies zijn gewijzigd t.o.v. vroegere rapportering, dit door aangepaste emissiefactoren bij de berekening van verbrandingsemissies

Bron: VMM (www.milieurapport.be)
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Doelstellingen voor de emissie van fijn stof

Het Europese en Vlaamse beleid focust, wat emissiedoelstellingen voor fijn stof betreft, op de fractie PM2,5. Het Vlaamse milieubeleidsplan 2011-2015 (MINA-plan 4) schuift voor 2015 een absoluut doel van 2,3 kton voor transport naar voor en 6,0 kton voor stationaire bronnen. Dit komt overeen met een emissiereductie van de PM2,5-emissies voor transport en voor de stationaire bronnen in 2015 met respectievelijk 33 % en 10 % t.o.v. 2007.

Een herziening van het protocol van Göteborg in 2012 leidde tot aangescherpte emissieplafonds tegen 2020 voor België. In een beslissing van de Interministeriële Conferentie Leefmilieu (ICL, 27/04/2012) werd enkel een verdeling van de inspanningen over de gewesten vastgelegd voor stationaire bronnen: 6,7 kton voor Vlaanderen tegen 2020. Dit plafond is dus minder streng dan de doelstelling uit het MINA-plan 4 voor 2015. 

De NEC-richtlijn werd eind 2016 herzien, met doelstellingen voor 2020 en 2030. In deze nieuwe richtlijn EG/2016/2284 worden nu ook doelstellingen voor de Belgische emissie van PM2,5 voorzien. Tegen 2020 en 2030 moet de emissie van PM2,5 met respectievelijk 20 % en 39 % verminderd worden t.o.v. het jaar 2005.

Naast PM2,5 is er nog een kleinere fractie, zijnde elementair koolstof (EC). Elementair koolstof is een fractie van de stofdeeltjes die specifiek gevormd wordt bij onvolledige verbranding.  Omwille van hun samenstelling en hun geringe afmetingen hebben deze deeltjes negatieve gezondheidseffecten. Deze donkere deeltjes nemen tevens licht op en zorgen ook voor opwarming van de omgeving. Er zijn evenwel nog geen doelstellingen, noch op Vlaams, noch op Europees niveau voor de emissie van elementair koolstof vastgelegd.

Ook de grotere deeltjes zoals PM10 kunnen schadelijk zijn voor de gezondheid. Er zijn evenmin Europese of Vlaamse doelstellingen voor de emissies van PM10, wel voor de concentratie ervan in de omgevingslucht.

Huishoudelijke verwarming is de belangrijkste bron van PM2,5

De totale emissie van PM2,5 lag in 2015 respectievelijk 16 % en 37 % lager dan in 2000 en in 1995. Tussen 2000 en 2006 was er weinig evolutie in de totale emissie, de drie volgende jaren was er wel een daling. Het verloop in de volgende jaren werd vooral beïnvloed door de huishoudens waar koudere weersomstandigheden zorgden voor hogere emissies door verwarming. Zo lag de PM2,5-emissie in 2010 hoger dan in 2000, dit door een piek in de huishoudelijke emissies als gevolg van de strenge winter. In de periode 2000-2014 werden de laagste emissies opgetekend in 2014, in 2015 lagen de totale PM2,5-emissies opnieuw 7 % hoger dan in 2014.

De huishoudens zijn verantwoordelijk voor het grootste aandeel in de totale emissie van PM2,5. Dit aandeel varieert van ongeveer een derde (31 % en 36 % in 1995 en 2000) tot zowat twee derden (64 % en 67 % in 2010 en 2013). De PM2,5 emissie van de huishoudensis voor het overgrote deel (90 à 95 %) te wijten aan de gebouwenverwarming op vaste brandstoffen (kolen en hout) en is gekoppeld aan het voorkomen van strenge of mindere strenge winters.

Na de huishoudens (verantwoordelijk voor 63 % van de PM2,5-emissie in 2015) leveren de sectoren industrie en transport nog belangrijke aandelen in de emissie van PM2,5 met respectievelijk 15 % en 14 % in 2015. De landbouw is verantwoordelijk voor 7 % van de PM2,5-emissie, de sectoren energie en handel & diensten hebben een beperkte bijdrage van zowat 1 %.

De sectoren energie, industrie en transport kenden de grootste reductie van PM2,5-emissies tussen 1995 en 2015 (respectievelijk –90 %, - 69 %, - 63 %). Voor de sector energie speelden volgende zaken mee: een toegenomen aandeel aardgas ten koste van steenkool in de elektriciteitssector samen met meer rookgaszuiveringsinstallaties, een verminderde inzet van conventionele centrales en meer invoer van energie uit het buitenland. Ook bij de petroleumraffinaderijen was er een sterke daling.

Voor de sector industrie is de emissiereductie in de betroffen periode vooral te wijten aan de invoering van emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties (in 2004), de geleidelijke overschakeling van vaste brandstoffen naar aardgas en de invoering van elektrostatische filters en doekenfilters in industriële processen en verbrandingsinstallaties.

Bij transport (met in hoofdzaak het wegverkeer) zijn vooral de uitlaatemissies verminderd (- 79 % tussen 1995 en 2015) door de vernieuwing van het wagenpark. Door de opeenvolgende Europese normeringen stoten nieuwe voertuigen minder fijn stof uit dan voorheen. De niet-uitlaatemissies (veroorzaakt door slijtage van remmen, banden, wegdek, …) daarentegen zijn sedert 1995 met 30 % gestegen en vertegenwoordigen (in 2015) 45% van de emissies van PM2,5 door transport.

De landbouw verminderde zijn PM2,5 emissie met 45 % tussen 1995 en 2015. Deze daling gaat samen met het dalende energiegebruik in de landbouw, met de omschakeling naar aardgas in de glastuinbouw en met de dalende veestapel tot 2008.

De daling in de emissie van fijn stof in deze bovenvermelde sectoren werd tegengewerkt door een aanzienlijke stijging van de emissie van fijn stof door de huishoudens (+28 % tussen 1995 en 2015). Zoals eerder gezegd is die uitstoot vooral afkomstig van de gebouwenverwarming en is dus zowel sterk weersgebonden, als afhankelijk van het soort brandstof. Het aandeel aardgas nam toe ten nadele van steenkool en stookolie, wat een gunstig effect had op de emissies door de huishoudens. Maar het stijgend aandeel biomassa bij verwarming leidde tot een verhoogde uitstoot van fijn stof. Om die emissies te beperken werden voor nieuwe verwarmingsinstallaties (≤ 300 kWth, dus vooral huishoudelijke kachels en verbrandingsketels) op hout en andere vaste brandstoffen maatregelen genomen naar efficiëntie en emissiegrenswaarden (KB12/10/2010) alsook naar de eigenschappen van houtpellets (KB 08/04/2011). 

 

 

 

  

Vlaamse PM2,5-emissiedoelstellingen (2015) voor stationaire bronnen niet gehaald

De cijfers van 2015 worden getoetst aan de doelstellingen van het MINA-plan 4. In 2015 bedroeg de emissie van PM2,5 voor transport 2,5 kton. De trend is dalend, en de emissie ligt nog net boven het doel van 2,3 kton, te bereiken in 2015. Voor de stationaire bronnen (van alle overige sectoren) bedraagt de  PM2,5 emissie in 2015 14,5 kton, m.a.w. 2,4 maal hoger dan het doel van 6,0 kton. Er moet wel rekening mee gehouden worden dat sinds het vastleggen van de doelen de berekeningswijze van de emissies van de huishoudelijke gebouwenverwarming gewijzigd is. Dit is een belangrijke reden waarom de emissiecijfers de doelstelling niet halen.

Volgens de huidige berekening bedraagt de emissie in 2015 van de stationaire bronnen 14,5 kton tegenover 14,8 kton in 2007 dus nauwelijks een daling. De huishoudens hebben de laatste jaren een aandeel van zowat drie vierde in de stationaire PM2,5-emissie. Zoals hoger vermeld zijn de huishoudelijke verbrandingsemissies sterk weersafhankelijk en vertonen ze een schommelend maar finaal stijgend verloop, o.a. door een toenemend stoken met hout. Door het grote aandeel van deze huishoudelijke emissie is in het verloop van de totale emissie van de stationaire bronnen dan ook nog geen daling gerealiseerd, integendeel. 

Huishoudens en transport verantwoordelijk voor 90 % van de emissie van elementair koolstof

De emissie van elementair koolstof is vooral afkomstig van huishoudens en transport. In de periode 1995 – 2005 had transport het grootste aandeel  met ruim 60 % in de emissie van elementair koolstof, terwijl de huishoudens verantwoordelijk waren voor zowat 25 %. Na 2005 is het aandeel van transport steeds verder gedaald terwijl dat van de huishoudens toenam. In 2015 hebben de huishoudens en de transportsector respectievelijk een aandeel van 50 % en 38 % in de emissies van elementair koolstof.

In 2015 lag de totale emissie van elementair koolstof respectievelijk 47 % en 55 % lager dan in 2000 en in 1995. Deze daling is vooral te danken aan de sterk verminderde uitlaatemissie in transport (- 81 % tussen 1995 en 2015). Deze afname situeert zich vooral bij het wegverkeer en is te wijten aan de vernieuwing van het  wagenpark (systematische verstrenging van de EURO-klasse van nieuwe wagens). De emissies van elementair koolstof door de huishoudens zijn, net als de PM2,5-emissie, vooral afkomstig van de gebouwenverwarming op vaste brandstoffen (kolen en hout). Deze emissies fluctueren vrij sterk door de meteorologische omstandigheden en dalen algemeen gezien niet.

Naast huishoudens ook landbouw belangrijk voor uitstoot van PM10 en totaal stof

De totale emissie van PM10 vertoont een gelijkaardig verloop als de emissie van PM2,5. In 2015 was de emissie van PM10 respectievelijk 14 % en 32 % lager dan in 2000 en in 1995. In vergelijking met de emissie van PM2,5 valt vooral het grotere belang van de landbouw op voor deze grotere stofdeeltjes. De landbouw is in de beschouwde periode verantwoordelijk voor 24 à 28 % van de PM10-emissie. De gunstige evolutie door het dalende energiegebruik in de glastuinbouw en de dalende veestapel werd tenietgedaan door een stijgende emissie als gevolg van de toenemende bodembewerking, waardoor een stagnatie van de totale PM10-uitstoot door de landbouw optrad vanaf 2008. 

Ook voor de PM10-emissie geldt dat de huishoudens een alsmaar belangrijker aandeel verwerven. In 2000 was deze sector verantwoordelijk voor 25 % van de emissies, en in 2015 met een aandeel van 43 % zelfs de belangrijkste sector, ook hier vooral door gebouwenverwarming op vaste brandstoffen. Het aandeel van transport daalde van 24 % in 2000 naar 15 % in 2015 door vooral een daling van de uitlaatemissies. De niet-uitlaatemissies (veroorzaakt door slijtage van remmen,banden, wegdek, …) vertegenwoordigen in 2015 65 % in de transportemissie van PM10, dus een groter aandeel dan bij de PM2,5. Het aandeel van de industrie bleef ongeveer constant sinds 2000 en bedroeg 12 % in 2015. De energiesector verminderde zijn emissies door de hoger genoemde maatregelen meteen factor 10 waardoor het aandeel zakte van 9 % in 2000 tot 1 % in 2015. Door de bijkomende rapportering sedert 2013 van emissies door op- en overslagbedrijven liep het aandeel van de sector handel & diensten op tot 2 % in 2015.

Ook het verloop van de uitstoot van totaal stof was gelijkaardig aan dit van de twee kleinere fracties en in de periode 2000-2015 daalden de emissies weinig (- 13 %). De landbouw bleef met een aandeel van 42 % de voornaamste bron van de emissie van totaal stof in 2015. Bijna twee derde (63 % in 2015) van deze landbouwemissies zijn afkomstig van de diverse activiteiten van bodembewerking. De huishoudens namen in 2015 ruim 30 % van de emissies in, vooral door gebouwenverwarming. Ook de sectoren industrie en transport namen in 2015 nog 11 % en 14 % van de totaal stof emissies voor hun rekening.

Verwachtingen voor de toekomst

Strengere normen voor nieuwe installaties in de industrie, verdere implementatie van BBT-referenties, gebruik van efficiëntere verwarmingsinstallaties en betere isolatie van woningen, verdere omschakeling van vaste brandstoffen naar aardgas en de verdere vernieuwing van het wagenpark zullen de emissies van de verschillende fracties van fijn stof verminderen. Ook de beperking van verkeerstromen door bv. rekeningrijden kan een gunstig effect hebben.

Er wordt verwacht dat het invoeren van nationale emissiemaxima (NEC-richtlijn) voor 2020 en 2030, met voor het eerst ook doelen voor PM2,5, de reductie van fijn stof zal stimuleren. Een deel van die reductie kan gerealiseerd worden door de implementatie van de voorgestelde EU-richtlijn voor middelgrote stookinstallaties. Meer info over de emissies van fijn stof van de verschillende sectoren is te vinden bij de indicatoren ‘emissie van fijn stof door de industrie’, ‘emissie van fijn stof door de landbouw’ en ‘emissie van luchtpolluenten door transport’. 

 

Meer cijfers

.pdf

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht