Deel deze pagina

Verzenden

Emissie van precursoren van fijn stof

Fijn stof in de lucht bestaat uit primair en secundair fijn stof. Primaire deeltjes worden rechtstreeks uitgestoten in de atmosfeer. Secundaire deeltjes ontstaan door chemische reacties van gasvormige precursoren zoals NH3, SO2 en NOx. Ook (niet-methaan) vluchtige organische stoffen (NMVOS) komen tussen in de vorming van secundair fijn stof, zij het in mindere mate. Uit deze gassen of de reactieproducten ervan kunnen anorganische of organische aerosolen gevormd worden door de vorming van nieuwe deeltjes of door hechting aan reeds bestaande deeltjes. Uit analyses van de chemische samenstelling van fijn stof in Vlaanderen blijkt dat de secundaire anorganische fractie ontstaan uit omzettingen van NH3, NOx en SO2    30-40 % uitmaakt van de massa van PM10. Het exacte aandeel is onder meer afhankelijk van de meteorologische omstandigheden, de specifieke locatie en de import uit het buitenland.
Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Verloop

Sterke emissiedaling tot 2010 voor SO2, NOx en NMVOS, daarna beperkte reductie. Emissie NH3 ruim 10 jaar ongewijzigd

Diverse maatregelen om te voldoen aan de NEM-doelstellingen zorgden voor een daling van de emissies van de polluenten NH3, SO2, NOx en NMVOS tegen 2010. Het MINA-plan 4 (2011-2015) geeft voor deze polluenten emissiedoelstellingen tegen 2015. Een herziening van het protocol van Göteborg in 2012 leidde tot aangescherpte emissieplafonds tegen 2020 voor België. In een beslissing van de Interministeriële Conferentie Leefmilieu (27/04/2012) werd de verdeling van de inspanningen over de gewesten vastgelegd enkel voor de stationaire bronnen.

Concreet daalde de emissie van vooral SO2 en in mindere mate NOx bij de sectoren industrie en energie door maatregelen onder invloed van normeringen en milieubeleidsovereenkomsten (MBO’s) in de energiesector, de chemie en keramische nijverheid, door omschakeling naar laag zwavelhoudende brandstoffen en rendementsverhogende technieken. Voor de sector transport waren vooral de steeds strengere emissienormen voor voertuigen en de verlaging van het zwavelgehalte van de brandstoffen van belang bij de emissiereductie van SO2 en NOx. Bij de landbouw daalde de NH3- en NOx-emissie sinds 2000 door de afbouw van de veestapel, de lagere stikstofinhoud van het veevoeder, de emissiearme aanwending van dierlijke mest op akkers en weiden, de bouw van emissiearme stallen en de toenemende mestverwerking. Na 2008 stagneerde de emissie, omdat de licht stijgende veestapel, de mestverwerking en de uitbreiding van emissiearme stallen elkaar in evenwicht hielden.

De inventarisatie van de NMVOS-emissie werd in 2016 aangepast naar aanleiding van Europese voorschriften (EMEP/EEA Guidebook 2013). Daardoor zijn de NMVOS-emissies van mestopslag en van productie van gewassen voor het eerst mee gerapporteerd bij de sector landbouw. Vooral het opnemen van de mestopslagemissies (ruim 85 % van de NMVOS landbouwemissies) leidt tot een aanzienlijke verhoging van de NMVOS-emissies over de ganse tijdsreeks en kent een vlak verloop.

De totale emissie van SO2 daalde in de periode 2000-2014 het meest, namelijk met 74  %. Alle sectoren leverden een emissie reducerende bijdrage. In 2000 was de sector energie verantwoordelijk voor 46 % van de SO2-uitstoot, de sector industrie voor 35 %. De sector energie reduceerde haar uitstoot fors tussen 2000 en 2014 (- 83 %). In 2014 was de industrie de voornaamste bron met 52 %.

In 2000 was transport verantwoordelijk voor 47 % van de NOx-uitstoot. Ook de sectoren energie (21 %) en industrie (18 %) hadden een aanzienlijk aandeel. De uitstoot van NOx daalde tussen 2000 en 2014, maar minder sterk dan de emissie van SO2. De daling bedroeg 42 %. Vooral de sector energie verminderde zijn emissies sterk (- 76 % tussen 2000 en 2014). In 2014 bleef de sector transport de belangrijkste bron van NOx-emissies met een aandeel van 55 %.

De NH3-emissie daalde tussen 2000 en 2008 met 22 %, maar bleef nadien ongeveer op hetzelfde peil. De emissies van de landbouw bepalen het verloop van de totale NH3-emissie. De landbouwemissies maken het overgrote deel uit van de totale NH3-emissies, bijna 94 % in 2014.

De uitstoot van NMVOS daalde tussen 2000 en 2014 met 41 %. In 2000 was de industrie verantwoordelijk voor 42 % van de emissies, in 2014 nog voor 31 %. De sectoren huishoudens en landbouw leveren in 2014 een bijdrage van 19 % en 18 %. Verschillende maatregelen zorgden ervoor dat de emissies van de sectoren transport, energie en industrie fors gereduceerd werden (respectievelijk – 73 %, - 66 % en – 57 % tussen 2000 en 2014). De emissie van de huishoudens kent een schommelend verloop en ligt in 2014 10 % hoger dan in 2000. De landbouwemissies, vooral door de mestopslag, bleven in de periode 2000 – 2014 vrij constant (- 7 % in 2014 t.o.v. 2000). 

De emissiedoelen 2015 van het MINA-plan 4 werden reeds gehaald voor SO2 (in 2010) en NH3 (in 2012). Voor de emissie van NOx en NMVOS zijn nog verdere inspanningen in de diverse sectoren nodig. Meer informatie over het halen van de doelstellingen voor de verschillende stofprecursoren vindt men bij de indicatoren potentieel verzurende emissie en emissie van NMVOS naar lucht.

Een aantal zaken zijn van belang bij het bepalen van de bijdrage van de verschillende stofprecursoren aan de vorming en de impact van fijn stof. De afstand waarover de polluenten getransporteerd worden in de atmosfeer beïnvloeden mee de vorming van secundair fijn stof. Die afstand is afhankelijk van de meteorologische omstandigheden, maar ook van de hoogte van uitstoot en dus van het soort bron. Bepaalde polluenten zoals NH3 reageren sneller, terwijl NOx en SO2 eerder over grotere afstanden getransporteerd worden alvorens te reageren. Dit kan ook de impact van het gevormde fijn stof op de gezondheid beïnvloeden. Als fijn stof pas gevormd wordt op plaatsen met een geringere bevolkingsdichtheid zal de impact op de volksgezondheid kleiner zijn. Het belang van de verschillende stofprecursoren is ook anders indien PM10 dan wel PM2,5 beschouwd wordt. De anorganische componenten ammonium en sulfaat bevinden zich volledig in de kleinere fractie PM2,5, terwijl nitraat zich voor een deel ook in de grovere fractie tot PM10 bevindt.
In een studie van Amann et al. (2014) werd de gezondheidsimpact berekend in de EU als gevolg van de uitstoot van primair PM2,5 en de stofprecursoren in België. Er werd rekening gehouden met de bijdrage van de verschillende polluenten  aan de concentratie van PM2,5, niet met een mogelijk verschillende toxiciteit van de verschillende stoffen. De impact op vroegtijdige sterfte door blootstelling aan PM2,5 is ongeveer een factor 2 hoger voor de uitstoot van primair PM2,5 dan voor SO2, ongeveer een factor 3 hoger dan voor NH3, een factor 20 hoger dan voor NOx en een factor 50 hoger dan voor NMVOS.

 

 

Meer cijfers

.pdf

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht