Deel deze pagina

Verzenden

Jaargemiddelde PM2,5-concentratie in lucht

Het inademen van fijn stof (o.a. PM10 en PM2,5) is schadelijk voor de gezondheid. De PM2,5-deeltjes kunnen door hun kleine afmetingen diep in de longen en de bloedbanen dringen en op die manier ook andere vervuilende stoffen, aanwezig op die deeltjes, in het menselijk lichaam brengen. Negatieve gezondheidseffecten kunnen hiervan het gevolg zijn. Primaire stofdeeltjes worden rechtstreeks uitgestoten in de lucht door verschillende bronnen (bv. uitlaat van wagens, diverse industriële processen, huishoudelijke verwarming op vaste brandstoffen). Daarnaast kan er ook secundair stof gevormd worden door chemische reacties van voorloperstoffen (bv. NH3, NOx, SO2 en VOS). Samen resulteren ze in een bepaalde concentratie van PM2,5-deeltjes in de lucht. De jaargemiddelde concentratie van deze deeltjes geeft een beeld van de langetermijnblootstelling aan dit fijn stof.
Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Verloop

Doelstellingen voor PM2,5-concentraties

 De Europese Richtlijn Luchtkwaliteit 2008/50/EG definieert een jaargrenswaarde voor de bescherming van de menselijke gezondheid tegen PM2,5. Sedert 1 januari 2015 mag het PM2,5-jaargemiddelde maximaal nog 25 µg/m³ bedragen. Tussen 2008 en 2015 was een bepaalde overschrijdingsmarge toegestaan. Die bedroeg 20 % in 2008 en nam lineair af tot 0 % in 2015. Tegen 1 januari 2020 is er ook een indicatieve jaargrenswaarde van 20 µg/m³ vooropgesteld.
De richtlijn definieert verder ook een blootstellingsconcentratieverplichting voor PM2,5. De gemiddelde blootstellingsindex (GBI) wordt gedefinieerd als de gemiddelde PM2,5-concentratie van alle stedelijke achtergrondstations van een lidstaat over de laatste 3 jaar. Sedert 2015 moet de GBI beneden 20 µg/m³ liggen. Het MINA-plan 4 neemt dit doel over voor Vlaanderen. De richtlijn definieert verder ook een nationale streefwaarde voor vermindering van de blootstelling aan PM2,5 tegen 2020. België moet een reductie van 20 % van de GBI halen tegen 2020 en zal die reductie aftoetsen t.o.v. de GBI2011 (gemiddelde van 2009, 2010 en 2011).
Eind 2013 deed de Europese Commissie een mededeling over het programma ‘Schone lucht voor Europa’ (COM(2013)918). Uit de toetsing van het luchtkwaliteitsbeleid bleek dat het niet aangewezen is de richtlijn inzake luchtkwaliteit snel te wijzigen. Men streeft in eerste instantie naar het naleven van de bestaande normen voor luchtkwaliteit uiterlijk tegen 2020. Een gewijzigde NEC-richtlijn (National Emission Ceilings), met voor het eerst doelstellingen voor PM2,5 voor de periode 2020-2029 en de periode vanaf 2030, moet de verontreinigende emissies verder doen dalen. Op 30 juni 2016 bereikten de Raad en het Europees Parlement een voorlopig akkoord, definitieve goedkeuring zou in het najaar moeten volgen. Pas als de nieuwe NEC-richtlijn definitief is, zou er mogelijk een herziening van de Richtlijn Luchtkwaliteit komen.
Volgens Brunekreef et al. (2015) zijn de huidige Europese grenswaarden niet ambitieus genoeg. De ESCAPE-studie toont namelijk aan dat er ook gezondheidseffecten optreden bij PM2,5-concentraties lager dan 20 µg/m³ of zelfs 15 µg/m³. Naast de gekende effecten (luchtwegen en hart- en vaatziektes) associeert de studie blootstelling aan PM2,5 ook met een lager gewicht en lagere hoofdomtrek bij geboorte. Verder zou PM2,5 ook een rol spelen bij diabetes en obesitas.
De Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) heeft voor PM2,5 ook advieswaarden vooropgesteld, deze zijn strenger dan de EU-grenswaarden. De WGO baseert zich voor het bepalen van de advieswaarden op gezondheidsstudies. Volgens de WGO is er geen veilige drempelwaarde waaronder geen nadelige effecten voorkomen. In een advies van de WGO (2005) wordt een advieswaarde voor PM2,5 voorgesteld van 10 µg/m³ voor het jaargemiddelde en 25 µg/m³ voor het daggemiddelde met slechts 3 toegestane overschrijdingen per jaar.
Het MINA-plan 4 (2011-2015) stelt dat de ruimtelijke PM2,5-jaargemiddelde concentratie maximaal 25 µg/m³ mag bedragen in 2015. Het aandeel van de bevolking blootgesteld aan een overschrijding van de jaargemiddelde concentratie van 25 µg/m³ moet gelijk zijn aan nul. In het PACT2020 wordt het doel voor het jaargemiddelde overgenomen.

Alle meetplaatsen halen EU-jaargrenswaarde 2015, geen enkel de WGO-advieswaarde voor gezondheid

De meetplaatsen van het telemetrisch meetnet zijn naargelang hun karakter ingedeeld in verschillende subtypes. Naast de typegebieden landelijk, voorstedelijk, stedelijk en industrieel wordt er sinds 2013 ook een typegebied verkeer gespecifieerd. Om de trend te kunnen evalueren berekent men per typegebied het gemiddelde van een virtueel station.
Net zoals de jaargemiddelde PM10-concentratie kende de jaargemiddelde PM2,5-concentratie globaal gezien een dalende trend in alle typegebieden. Die dalende trend houdt ongetwijfeld verband met de afnemende emissie van primaire PM2,5-deeltjes en van precursoren van secundair fijn stof, zowel op Vlaams als op Europees niveau (zie ook indicatoren ‘emissie van primair fijn stof’ en ‘emissie van precursoren van fijn stof’). Maar ook de weersomstandigheden en invloeden van buitenlandse bronnen bepalen mee de PM2,5-concentratie in Vlaanderen. Het verkeersgebied, industrieel en stedelijk gebied vertoonden de hoogste concentraties over de beschouwde periode.
In 2015 respecteerden alle 39 Vlaamse meetplaatsen de EU-jaargrenswaarde van 25 µg/m³, te halen tegen 2015. Ook het indicatief doel 2020 van 20 µg/m³ haalden alle meetplaatsen. Geen enkel meetplaats haalde in 2015 echter de WGO-advieswaarde van 10 µg/m³. 

Luchtkwaliteit gemodelleerd voor heel Vlaanderen

Om de verontreiniging met fijn stof in te schatten op plaatsen waar geen metingen gebeuren in Vlaanderen, maakt men gebruik van het RIO-IFDM-model. RIO-IFDM is een combinatie van de RIO-interpolatietechniek enerzijds en het dispersiemodel IFDM anderzijds. Met RIO interpoleert men de luchtkwaliteitsmetingen van de meetplaatsen naar een gebied van 4x4 km, gebruik makend van o.a. satellietgegevens van het landgebruik. Om een gedetailleerder beeld te krijgen binnen een gebied van 4x4 km wordt RIO gekoppeld aan het IFDM-model. Met IFDM berekent men, met behulp van meteogegevens, het effect van lokale emissies door wegverkeer en industriële puntbronnen op de verspreiding van de concentraties.
De eerste kaart toont dat de hoogste jaargemiddelde PM2,5-concentraties in 2015 voorkwamen in Antwerpen en Gent en hun havengebieden, in het zuidoosten van de provincie West-Vlaanderen en in een deel van de Kempen. Op geen enkele plaats is er een overschrijding van de EU-grenswaarde. Op de kaart is ook de invloed van het verkeer merkbaar. De snelwegen hebben namelijk vaak een hogere concentratie dan de omliggende omgeving. Ook het noordelijk deel van de Brusselse ring vertoonde hogere concentraties. In 2015 vertoonde het meest westelijke en oostelijke deel van Vlaanderen de laagste PM2,5-concentraties.
Op de tweede kaart ziet men dat een groot gedeelte van Vlaanderen wel nog de WGO-advieswaarde overschreed in 2015. Deze gebieden in het oranje/rood vertegenwoordigen 94 % van de bevolking. Om de gezondheidsimpact van fijn stof te verminderen zijn verdere emissiereducties nodig in binnen- en buitenland. In juni 2016 werd na lang onderhandelen een voorlopig akkoord bereikt inzake de NEC-doelstellingen. Het is positief dat er voor het eerst ook doelen zijn voor de uitstoot van primair fijn stof, naast ook doelen voor de precursoren van fijn stof. Maar van de 2020-doelen gaat weinig ambitie uit. In België werden ze voor alle polluenten reeds gehaald in 2014, behalve voor NOx. De initieel door de Europese Commissie voorgestelde 2030-doelen werden verder afgezwakt in het voorlopige akkoord.
Gezien het grensoverschrijdend karakter van de problematiek van fijn stof zijn internationale akkoorden inderdaad nodig. Maar om de gezondheidsimpact sneller en effectiever te verminderen is het aangewezen dat Vlaanderen lokaal bijkomende maatregelen neemt.

Ruimtelijk PM2,5-jaargemiddelde dalend

Voor het opstellen van een tijdsreeks van gemodelleerde ruimtelijke PM2,5-jaargemiddelden voor Vlaanderen als geheel, werd enkel gebruik gemaakt van de RIO-interpolatietechniek en niet van het dispersiemodel IFDM. Gemiddeld over heel Vlaanderen bedroeg het ruimtelijke PM2,5-jaargemiddelde 12 µg/m³ in 2015. Globaal gezien daalde dit jaargemiddelde in de periode 2005-2015. Het doel 2015 van 25 µg/m³ (MINA-plan 4 en Pact 2020) werd reeds vanaf 2005 gerespecteerd. Om het MINA-doel i.v.m. de blootstelling te evalueren beschouwt men het maximum van de gemodelleerde PM2,5-jaargemiddelden in de gebieden van 4x4 km in Vlaanderen. De figuur toont dat in de periode 2005-2015 niemand in Vlaanderen werd blootgesteld aan waardes boven 25 µg/m³, behalve in 2006 een minimaal aandeel van 0,03 % van de bevolking.

Doel 2015 voor gemiddelde blootstellingsindex gehaald

In 2015 bedroeg de gemiddelde blootstellingsindex (GBI) voor Vlaanderen 15,6 µg/m³, gebaseerd op de Vlaamse stedelijke achtergrondlocaties Brugge, Borgerhout, Schoten en Gent. Over alle stedelijke achtergrondlocaties van heel België was de GBI 15,4 µg/m³. Zowel het Vlaams MINA-doel als het EU-doel voor België (20 µg/m3 in 2015) werd dus gehaald.
De GBI voor 2011 bedroeg 19,6 µg/m³ voor de Vlaamse stedelijke achtergrondlocaties. Als het reductiepercentage (20 %) van de nationale streefwaarde toegepast wordt op Vlaanderen dan betekent dit dat de GBI voor Vlaanderen maximaal 15,7 µg/m³ mag bedragen in 2020. Met een GBI van 15,6 µg/m³ werd deze streefwaarde voor 2020 reeds gehaald in 2015. 

Meer informatie over de blootstelling aan fijn stof bij de indicator blootstelling aan te hoge concentraties fijn stof.

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht