Deel deze pagina

Verzenden

Jaargemiddelde PM10-concentratie in lucht

Het inademen van fijn stof (PM10 en PM2,5) is schadelijk voor de gezondheid. Primaire stofdeeltjes worden rechtstreeks uitgestoten in de lucht door verschillende bronnen (bv. uitlaat van wagens, diverse industriële processen, huishoudelijke verwarming op vaste brandstoffen). Daarnaast kan er ook secundair stof gevormd worden door chemische reacties van voorloperstoffen (bv. NH3, NOx, SO2 en VOS). Samen resulteren ze in een bepaalde concentratie van PM10-deeltjes die in de lucht zweven. De jaargemiddelde concentratie van deze deeltjes geeft een beeld van de langetermijnblootstelling aan dit fijn stof.
Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Verloop

Doelstellingen voor PM10-concentraties

De Europese Richtlijn Luchtkwaliteit 2008/50/EG definieert grenswaarden voor de bescherming van de menselijke gezondheid tegen PM10. Deze dienen sedert 1 januari 2005 gerespecteerd te worden. De jaargrenswaarde bedraagt 40 µg/m³, de daggrenswaarde schrijft voor dat er maximaal 35 dagen met een daggemiddelde hoger dan 50 µg/m³ mogen voorkomen per jaar. Eind 2013 deed de Europese Commissie een mededeling over het programma ‘Schone lucht voor Europa’ (COM(2013)918). Uit de toetsing van het luchtkwaliteitsbeleid bleek dat het niet aangewezen is de richtlijn inzake luchtkwaliteit snel te wijzigen. Men streeft in eerste instantie naar het naleven van de bestaande normen voor luchtkwaliteit uiterlijk tegen 2020. Een gewijzigde NEC-richtlijn (National Emission Ceilings), met voor het eerst doelstellingen voor de uitstoot van PM2,5 voor de periode 2020-2029 en de periode vanaf 2030, moet de emissie van fijn stof verder doen dalen. Op 30 juni 2016 bereikten de Raad en het Europees Parlement een voorlopig akkoord, definitieve goedkeuring zou in het najaar moeten volgen. Pas als de nieuwe NEC-richtlijn definitief is, zou er mogelijk een herziening van de Richtlijn Luchtkwaliteit komen.
Volgens Brunekreef et al. (2015) zijn de huidige Europese grenswaarden voor fijn stof niet ambitieus genoeg en is er voldoende wetenschappelijke evidentie die aantoont dat er ook onder deze grenswaarden schadelijke effecten optreden voor de gezondheid.
De Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) heeft voor PM10-concentraties ook advieswaarden vooropgesteld, deze zijn strenger dan de EU-grenswaarden. De WGO baseert zich voor het bepalen van de advieswaarden enkel op gezondheidsstudies. Volgens de WGO is er geen veilige drempelwaarde waaronder geen nadelige effecten voorkomen. In een advies van de WGO (2005) wordt voor de meetpunten een advieswaarde voor PM10 voorgesteld van 20 µg/m³ voor het jaargemiddelde en 50 µg/m³ voor het daggemiddelde met slechts 3 toegestane overschrijdingen per jaar.
Het MINA-plan 4 (2011-2015) stelt als doelstelling voor het jaar 2020 een daling van het ruimtelijke PM10-jaargemiddelde voor Vlaanderen met 25 % t.o.v. 2007 voorop. Het Pact 2020 neemt zowel dit doel als de EU-doelen over.

Jaargemiddelde PM10-concentratie dalend voor alle typegebieden

In 2015 werd in 37 meetplaatsen PM10 gemeten. Hiervan behoren 26 meetplaatsen tot het telemetrisch meetnet, welke naargelang hun karakter zijn ingedeeld in verschillende subtypes. Naast de typegebieden landelijk, voorstedelijk, stedelijk en industrieel wordt er sinds 2013 ook een typegebied verkeer gespecifieerd. Om de trend te kunnen evalueren wordt per typegebied het gemiddelde berekend van een virtueel station, weergegeven in de eerste figuur.
De jaargemiddelde PM10-concentratie kende een schommelend verloop maar vanaf 2007 was de trend globaal dalend op de virtuele stations. De dalende trend houdt ongetwijfeld verband met de afnemende emissie van primaire PM10-deeltjes en van precursoren van secundair fijn stof, zowel op Vlaams als op Europees niveau (zie ook indicatoren Emissie van primair fijn stof en Emissie van precursoren van fijn stof). Het PM10-jaargemiddelde lag hoger in het industriële dan in het stedelijke typegebied, hoewel de verschillen tussen beide het laatste decennium minder groot waren. In het voorstedelijk typegebied werden lagere waarden gemeten en in het landelijk gebied waren de concentraties het laagst. In 2015 had het typegebied verkeer vergelijkbare jaargemiddeldes als het industriële en het stedelijke typegebied.

EU-jaargrenswaarde overal gerespecteerd, WGO-advieswaarde nog maar op 3 meetplaatsen

Vanaf 2008 respecteerden alle individuele meetplaatsen de PM10-jaargrenswaarde van 40 µg/m³. Bepaalde jaren vallen op door hun hoge jaargemiddeldes, bv. 2003. Dat jaar was meteorologisch ongunstig voor fijn stof met uitzonderlijk veel wind uit oostelijke richting, lange droge periodes en een zeer warme zomer. In 2015 lagen de gemeten PM10-jaargemiddelden in Vlaanderen tussen 18 en 28 µg/m³. Het jaargemiddelde was in 2015 het laagst op de meetplaats Houtem. De hoogste jaargemiddelde concentratie werd gemeten op de meetplaats Oostrozebeke. Op drie meetplaatsen bedroeg de jaargemiddelde concentratie 20 µg/m3 of minder, op de andere meetplaatsen waren de jaargemiddelden hoger dan de WGO-advieswaarde van 20 µg/m³.

Luchtkwaliteit gemodelleerd voor heel Vlaanderen

Om de verontreiniging met fijn stof in te schatten op plaatsen waar geen metingen gebeuren in Vlaanderen, wordt gebruik gemaakt van het RIO-IFDM-model. RIO-IFDM is een combinatie van de RIO-interpolatietechniek enerzijds en het dispersiemodel IFDM anderzijds. Met RIO interpoleert men de luchtkwaliteitsmetingen van de meetplaatsen naar een gebied van 4x4 km, gebruik makend van o.a. satellietgegevens van het landgebruik. Om een gedetailleerder beeld te krijgen binnen een gebied van 4x4 km wordt RIO gekoppeld aan het IFDM-model. Met IFDM berekent men, met behulp van meteogegevens, het effect van lokale emissies door wegverkeer en industriële puntbronnen op de verspreiding van de concentraties. De kaartjes tonen de resultaten voor 2015. Nergens in Vlaanderen was er een overschrijding van de EU-grenswaarde (40 µg/m³). De hoogste gemodelleerde PM10-jaargemiddelden situeerden zich vooral in de Antwerpse en Gentse agglomeratie en de havengebieden. Die jaargemiddelden liggen boven de WGO-advieswaarde (20 µg/m³). Dit is ook het geval voor de noordrand rond Brussel, een aantal centrumsteden en bepaalde delen van autosnelwegen. In 2015 woonde 20 % van de bevolking in een gebied waar de WGO-advieswaarde voor het PM10-jaargemiddelde werd overschreden.
Om de gezondheidsimpact van fijn stof te verminderen zijn verdere emissiereducties nodig in binnen- en buitenland. In juni 2016 werd na lang onderhandelen een voorlopig akkoord bereikt inzake de NEC-doelstellingen. Het is positief dat er voor het eerst ook doelen zijn voor de uitstoot van primair fijn stof, naast ook doelen voor de precursoren van fijn stof. Maar van de 2020-doelen gaat weinig ambitie uit. In België werden ze voor alle polluenten reeds gehaald in 2014, behalve voor NOx. De initieel door de Europese Commissie voorgestelde 2030-doelen werden verder afgezwakt in het voorlopige akkoord.
Gezien het grensoverschrijdend karakter van de problematiek van fijn stof zijn internationale akkoorden inderdaad nodig. Maar om de gezondheidsimpact sneller en effectiever te verminderen is het aangewezen dat Vlaanderen lokaal bijkomende maatregelen neemt.

Doel 2020 voor ruimtelijk PM10-jaargemiddelde gehaald in 2015

Voor het opstellen van een tijdsreeks van het ruimtelijk gemodelleerde PM10-jaargemiddelde voor Vlaanderen als geheel, werd enkel gebruik gemaakt van de RIO-interpolatietechniek en niet van het dispersiemodel IFDM. De laatste figuur toont dat dit gemodelleerde Vlaams gemiddelde globaal een dalende trend vertoont. In 2015 bedroeg het ruimtelijk PM10-jaargemiddelde 18,1 µg/m³. De doelstelling van het MINA-plan 4 en van het Pact 2020, nl. 19,4 µg/m³ (-25 % t.o.v. 2007) in 2020, werd bereikt in 2015.

Meer informatie over het halen van de PM10-daggrenswaarde vindt u bij de indicator daggemiddelde PM10-concentratie in de lucht

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht