Deel deze pagina

Verzenden

Emissie van ozonprecursoren

Deze indicator toont het tijdsverloop van de emissie van de ozonprecursoren stikstofoxide (NOx), niet-methaan vluchtige organische stoffen (NMVOS), koolstofmonoxide (CO) en methaan (CH4) in Vlaanderen.

Ozon geldt als representatieve stof voor de fotochemische luchtverontreiniging. Het heeft een sterk oxiderende werking en is schadelijk voor mensen, planten en materialen. Ozon ontstaat in de troposfeer onder invloed van zonlicht op warme dagen in aanwezigheid van de zogenaamde ozonprecursoren: NOx, NMVOS en in geringere mate CO en CH4.

De verschillende ozonprecursoren hebben een verschillend ozonvormend vermogen en dit vermogen is bovendien niet constant maar kan sterk verschillen naargelang de weersomstandigheden, de concentraties van de andere precursoren, enz. Daarom worden de verschillende ozonprecursoren niet meer gesommeerd maar afzonderlijk beschouwd. Bij benadering hebben CO en CH4 een ozonvormend vermogen dat respectievelijk 1 en 2 grootteorden lager is dan dat van NOx en NMVOS. Omwille van dit groot verschil in bijdrage spitst de bespreking in deze indicator zich toe op de NOx- en NMVOS-emissie en wordt het emissieverloop van CO en CH4 enkel cijfermatig weergegeven in de figuur.

Doordat het ozonvormend vermogen afhankelijk is van een aantal factoren, is er ook geen lineair verband tussen de hoeveelheid geëmitteerde precursoren en de resulterende ozonvorming. In sommige omstandigheden is de relatie zelfs omgekeerd evenredig (bijvoorbeeld het weekendeffect).

NOx en NMVOS spelen naast hun rol als ozonprecursor ook een rol bij de vorming van secundair fijn stof. NOx-emissie maakt ook deel uit van de potentieel verzurende en vermestende emissie. CH4 speelt als broeikasgas een rol bij de klimaatverandering.

Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Verloop

 

Emissie ozonprecursoren daalt 

Van1990 tot 2014 daalde de emissie van ozonprecursoren quasi constant. De CO- en NMVOS-emissies namen het sterkst af (respectievelijk met 61 en 60 %), gevolgd door NOx (-52 %) en CH4 (-30 %). 

De amendering van het protocol van Göteborg in 2012 leidde tot aangescherpte emissieplafonds voor de ozonprecursoren NOx en NMVOS tegen 2020 voor België. In een beslissing van de Interministeriële Conferentie Leefmilieu (ICL) (27/04/2012) werd de verdeling van de inspanningen over de gewesten vastgelegd voor de stationaire bronnen, voor de niet-stationaire bronnen dient deze verdeling nog te gebeuren. Voor Vlaanderen bedragen de plafonds voor stationaire bronnen 56,9 kton voor NOx en 63,5 kton voor NMVOS (exclusief bijdrage natuur en tuinen). Voor de niet-stationaire bronnen zijn er Belgische plafonds van 68 kton voor NOx en 15 kton voor NMVOS. Ook in het MINA-plan 4 (2011-2015) zijn emissiedoelstellingen voor NOx en NMVOS (exclusief bijdrage natuur en tuinen) van respectievelijk 110,4 kton en 67,9 kton opgenomen (zie verder).

Doelstelling 2015 voor NOx-emissie in zicht, transport grootste emissiebron

Voor het behalen van de NOx-emissiedoelstelling (110,4 kton) tegen 2015 uit het MINA-plan 4 (2011-2015) dient nog een beperkte inspanning te gebeuren, vermits 111,1 kton uitgestoten werd in 2014. Deze doelstelling is opgesplitst in een emissieplafond van 58,1 kton voor stationaire bronnen en van 52,3 kton voor niet-stationaire bronnen. 

De sector transport draagt voor meer dan de helft bij aan de NOx-emissie (55 % in 2014). Dieselwagens stoten meer NOx uit dan benzinewagens. De NOx-emissies in reële rijomstandigheden liggen bovendien een stuk hoger dan in de testomstandigheden vastgelegd voor de EURO-normering. Daarnaast werd met het schandaal rond Volkswagen (‘dieselgate’) duidelijk dat de testcyclus bij sommige automodellen bewust gemanipuleerd werd om de testresultaten te verlagen. Het grote aandeel dieselwagens in het personenwagenpark heeft dus een negatieve invloed op de NOx-emissie. Het luchtkwaliteitsplan voor NO2, dat op 30 maart 2012 werd goedgekeurd, streeft naar een verlaging van het aandeel dieselwagens tot 61,1 %. Als eerste stap paste Vlaanderen begin 2012 de belasting op inverkeerstelling (BIV) voor particuliere wagens en gekochte bedrijfswagens aan, zodat deze voordeliger werd  voor nieuwe benzinewagens dan voor nieuwe dieselwagens. Het aandeel dieselwagens daalt de laatste jaren licht en bedroeg nog 61,8 % in 2014. Begin 2016 zette Vlaanderen een volgende stap door een verdere vergroening van de verkeersbelastingen. Meer informatie over de specifieke maatregelen om de NOx-emissie van de sectortransport te doen dalen is te vinden in de indicator ‘Emissie van luchtpolluenten door transport: NOx, NMVOS, PM2,5 en SO2’.

De sector industrie heeft de tweede grootste bijdrage aan de NOx-emissie (20 % in 2014). De emissie daalde tijdens de financieel-economische crisis in 2008-2009. In 2010 trok de economie terug aan met stijgende NOx-emissies tot gevolg. Na 2010 daalden de emissies terug en bereikten in 2014 een niveau net onder dat in 2009. In 2009 werd een milieubeleidsovereenkomst (MBO) afgesloten met de chemische nijverheid, het afgesproken emissieplafond tegen 2013 werd tijdig gehaald. Ook met de glasindustrie werd in 2009 een MBO afgesloten voor NOx-emissiereductie.

De emissies van de sectoren energie en landbouw hebben een aandeel van 9 %. Bij de sector energie werd reeds de grootste emissiereductie gerealiseerd (-75% tussen 2000 en 2014). Een MBO 2005-2009 met de elektriciteitssector voorzag vanaf 2008 in strengere emissieplafonds. In 2010 ondertekenden de Vlaamse overheid en de elektriciteitsproducenten een nieuwe MBO voor de periode 2010-2014.

De NOx-emissie van de huishoudens en handel en diensten is gerelateerd aan de verwarmingsbehoefte en lag in 2014 (net als in 2011) lager dan in de 2 voorgaande jaren omwille van de zachte winter.

NMVOS-emissie daalt continu, afvlakking in de laatste jaren, industrie grootste bron

De daling van de NMVOS-emissie vlakt af in de laatste jaren. Er wordt in deze indicator niet getoetst aan de hoger vermelde emissiedoelstellingen voor NMVOS. Reden hiervoor is dat de methodiek voor bepaling van de NMVOS-emissie sedert dit jaar gewijzigd werd. In de ganse tijdsreeks wordt nu de mestopslagemissie van de sector landbouw mee opgenomen. Vermits de doelstellingen geen rekening houden met deze bijdrage, kan enkel aangegeven worden dat de MINA-plan 4 doelstelling van 67,9 kton in 2011 gehaald werd, indien men de NMVOS-emissie exclusief mestopslag beschouwt. 

De industriesector heeft het grootste aandeel in de NMVOS-emissie (31 % in 2014). Belangrijkste bron is de petroleumsector, die de chemische industrie voorziet van grondstoffen en brandstoffen aanmaakt voor het verkeer, voor gebouwenverwarming en voor industriële verbrandingsprocessen. De NMVOS-emissie van de industrie daalde sterk  tussen 1990 en 2014 (-72 %). Dit is onder meer te danken aan het Vlaamse Nationale Emissiemaxima (NEM)-reductieprogramma, het opnemen van de LDAR-wetgeving (lekdetectie en–herstelprogramma) in VLAREM en de Europese richtlijn 2004/42/EG die het gebruik terugdringt van organische oplosmiddelen in bepaalde verven, vernissen en producten voor het overspuiten van voertuigen.

De NMVOS-emissies van de huishoudens zijn in licht stijgende lijn, huishoudens zijn samen met landbouw de tweede grootste emissiebron (aandeel van 19 % in 2014). Doordat gebouwenverwarming voor ongeveer de helft van de huishoudelijke NMVOS-emissie instaat, ligt deze emissie lager in de jaren met zachte winters (2011 en 2014).

Het aandeel van de sector transport in de NMVOS-emissie daalde van 22 % in 1990 naar 6 % in 2014. NMVOS komen vrij bij verbranding en verdamping van brandstoffen. De emissiedaling  is onder meer te danken aan het aanscherpen van de milieunormen voor voertuigen. De invoering van katalysatoren leidde tot een emissiedaling van 75 tot 90 %. Een andere reden voor de afname van de NMVOS-emissie van wegverkeer was de sterke stijging van het aandeel dieselwagens. In 1990 maakten dieselwagens minder dan een derde uit van het wagenpark, in 2005 was dat opgelopen tot de helft. Doordat diesel 5 tot 10 maal minder vluchtig is dan benzine zijn de NMVOS-emissies van diesel minder belangrijk dan deze van benzine. De verdieselijking van het wagenpark werd gestopt in 2013 (zie ook hierboven bij bespreking NOx-emissie).

Emissies ozonprecursoren dienen globaal te dalen

In Vlaanderen heerst een VOS-gevoelig ozonregime, wat betekent dat de ozonconcentratie grotendeels bepaald wordt door de ozonafbraak via NO. Een vermindering van de NMVOS-concentratie leidt steeds tot minder ozon. Een geringe vermindering van de NOx-concentratie in Vlaanderen leidt net tot meer ozon, doordat minder NO beschikbaar is voor de ozonafbraak. Meer informatie over de ozonchemie is te vinden in de indicator ‘Jaargemiddelde ozonconcentratie in omgevingslucht’. Om de ozonconcentratie duurzaam te doen dalen is daarom een aanzienlijke en globale emissieverlaging van de precursoren nodig.

Meer info


DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht