Deel deze pagina

Verzenden

Stedelijk hitte-eiland

De temperatuur in steden ligt doorgaans hoger dan in de omringende landelijke gebieden, wat tijdens hittegolven aanleiding geeft tot een verhoogde menselijke blootstelling aan hittestress. Vooral ouderen en kinderen ondervinden hiervan gezondheidshinder. Deze indicator kwantificeert die verhoogde blootstelling aan de hand van de extra ‘hittegolfgraaddagen’ die in steden gemeten worden, en die zowel het gewicht als de duur van hittegolven in rekening brengen.

Bij deze indicator nemen we de definitie over die de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid hanteert voor een hittegolf: “een periode van minstens drie opeenvolgende dagen met een gemiddelde minimumtemperatuur (gemiddelde over de drie dagen en niet per dag) hoger dan 18,2 °C en een gemiddelde maximumtemperatuur hoger dan 29,6 °C”.

Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

Figuur opgemaakt op basis van meetwaarden voor Antwerpen in de periode april tot september 2013.

Bron: MIRA op basis van VITO (WWW.MILIEURAPPORT.BE)
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

“Hot in the city”

In vergelijking met het platteland ligt in steden vooral de nachtelijke temperatuur hoger. Gemiddeld loopt dit verschil op tot enkele °C (eerste figuur), maar er worden ook dagen genoteerd met uitschieters tot 7 à 8 °C en meer. Hittegolven treden daardoor frequenter én intenser op in steden.

Hittegolfgraaddagen

Een manier om dat effect in cijfers om te zetten is aan de hand van zogenaamde ‘hittegolfgraaddagen’, die voor een gegeven jaar berekend worden door:

  • eerst te bepalen op welke dagen in de periode van 1 april tot 30 september in dat jaar zich een hittegolf voordoet, uitgaande van de definitie van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid;
  • en vervolgens voor die dagen de som te nemen van de overschrijdingen van de dagelijkse maximumtemperatuur boven de drempel van 29,6 °C, samengeteld met de som van de overschrijdingen van de dagelijkse minimumtemperatuur boven de drempel van 18,2 °C.

Op deze manier geeft de indicator niet enkel een beeld van de totale duur van hittegolven in dat jaar, maar ook van hun gewicht. De indicator wordt getoond voor een stedelijke en een nabijgelegen landelijke locatie, op een gemeenschappelijke grafiek, zodat het stedelijk effect tot uiting komt (tweede figuur).

Korte meetreeksen

Momenteel zijn enkel voor Antwerpen meetreeksen in centraal-stedelijke en omliggende landelijke locaties beschikbaar die invulling van de indicator toelaten. Deze meetreeksen namen bovendien pas een aanvang in 2012. Het is daarom nog wat snel om al besluiten te formuleren over de evolutie in de tijd van het stedelijk hitte-eiland. De volgende elementen blijken wel al uit de beschikbare data:

  • In de stad werden in 2013 twee hittegolven kort na mekaar opgetekend, in 2012 en 2014 telkens slechts één. Dat verklaart de hogere waarde voor de stad in 2013.
  • Als men de hittegolven in de stad apart bekijkt (twee in 2013, één telkens in 2012 en 2014), dan is iedere hittegolf ongeveer even intens met een indicatorwaarde van ongeveer 18 hittegolfgraaddagen.
  • Eigenaardig lijkt op het eerst zicht het feit dat 2014, met de laagste indicatorwaarde voor de stad, tegelijk ook de hoogste waarde voor de landelijke locatie heeft. Uit analyse van de meetwaarden blijkt echter dat de landelijke site in 2014 maar heel nipt voldoet aan de criteria voor een hittegolf. Iets lagere temperaturen zouden ook voor 2014 tot een waarde van 0 graaddagen op de landelijke site geleid hebben.

In de tweede figuur zijn ook de voorlopige waarden voor de jaren 2015 en 2016 toegevoegd. Een gedetailleerde bespreking hiervan volgt later.

Hoe groter de stad, hoe groter het hitte-eilandeffect

Uit modellering met een regionaal klimaatmodel voor Vlaanderen blijkt dat het aantal hittegolfgraaddagen sterk beïnvloed wordt door de grootte van de stad. Eenzelfde beeld blijkt uit observatie van satellietbeelden. Die beelden zijn gebiedsdekkend voor Vlaanderen en zijn beschikbaar voor langere periodes. Nadeel is echter dat deze satellietbeelden wel de temperatuur aan de grond of de oppervlaktetemperatuur tonen, maar niet de omgevingstemperatuur (onderste luchtlaag). De hittestress wordt vooral bepaald door de omgevingstemperatuur, maar er is een duidelijk verband tussen de omgevingstemperatuur en de oppervlaktetemperatuur: hogere oppervlaktetemperaturen dragen bij tot de opwarming van de onderste atmosfeerlaag. Buitenlandse studies bevestigen dat gebieden gekenmerkt door de hoogste nachtelijke oppervlaktetemperaturen ook de hoogste oversterfte kennen tijdens warme periodes.

Satellietmetingen laten ook toe de hotspots voor hittestress in Vlaanderen te identificeren: de sterkte van het hitte-eiland blijkt vooral samen te hangen met de verhardingsgraad in een stad en in iets mindere mate met de bevolkingsdichtheid. Op basis van de satellietbeelden voor de zomerperiode (april tot september) in de jaren 2002 tot 2013 kunnen 3 groepen steden in Vlaanderen onderscheiden worden:

  • steden met een relatief hoog hitte-eilandeffect: Antwerpen (hoogst), Gent, Kortrijk, Mechelen, Roeselare en Brugge;
  • steden met een gemiddeld hitte-eilandeffect: Sint-Niklaas, Aalst, Leuven, Turnhout, Ieper, Tienen, Geel, Hasselt en Genk;
  • steden met een relatief laag hitte-eilandeffect: Aarschot, Sint-Truiden, Lier en Diest.

Momenteel loopt een studie in opdracht van MIRA die de hitte-eilandindicator zal uitbreiden naar de steden Gent, Brugge, Lier, Hasselt en Brussel. De resultaten hiervan zullen rond de jaarwisseling 2017/2018 op de MIRA-website bekend gemaakt worden.

Hoe kunnen we het stedelijk hitte-eiland verhelpen ?

Om te beginnen is het belangrijk dat de hitteplannen van de overheid afgestemd worden op de stedelijke situatie. Daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat hittegolven zich vaker en feller doen voelen in steden. Ook de specifieke sociale situatie van stedelingen (bijvoorbeeld meer alleenwonende ouderlingen) is daarbij een belangrijk aandachtspunt.

Het is ook van belang bij de ruimtelijke planning in steden rekening te houden met de invloed van de bebouwing op het lokale klimaat, onder andere door vegetatie en wateroppervlakken in te zetten om de extreme temperaturen lokaal te milderen. Uit onderzoek blijkt dat vooral minder verharding en meer groen in de stad het hitte-eilandeffect kunnen verminderen. Het verkoelende effect van wateroppervlakken blijkt lager te liggen: water kan veel warmte opnemen, waardoor het vooral later in de zomer ’s nachts juist warmer kan zijn dan de omgevingslucht. Op zo’n moment draagt water in de stad dus eerder bij tot de hitte in de stad. Toch kunnen grotere waterpartijen ook naar het einde van de zomer toe nog verkoeling brengen wanneer hun oriëntatie in het verlengde ligt van de heersende windrichting: ze laten dan toe dat verkoelende wind dieper doordringt in de stad.

Meer info

Deze indicator is nauw verwant met 2 andere MIRAindicatoren:

In opdracht van MIRA (VMM) is een onderzoeksopdracht uitgevoerd naar het voorkomen van stedelijke hitte-eilanden in Vlaanderen. Naast temperatuursmetingen werden in dit verband ook satellietbeelden geanalyseerd om de ruimtelijke patronen in kaart te brengen, en zijn scenarioberekingen uitgevoerd om na te gaan of het voorkomen van hitte-eilanden kan wijzigen onder invloed van klimaatverandering. De resultaten van dit onderzoek zijn hier raadpleegbaar.

Voor een algemene inleiding over het stedelijk hitte-eiland verwijzen we naar 'The Urban Canopy Layer Heat Island'. De definitie van een hittegolf die hier wordt gebruikt is beschreven in het Hittegolf- en Ozonpiekenplan  van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid.

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht