Deel deze pagina

Verzenden

Jaargemiddelde temperatuur

Een verhoogde concentratie aan broeikasgassen in de atmosfeer zorgt voor een toename van de gemiddelde temperatuur op aarde met verschuiving van de klimaatzones en wijzigingen in extreme weersfenomenen tot gevolg.

Deze indicator gaat na in hoeverre de jaargemiddelde temperatuur in België wijzigt, en toetst het verloop van deze temperatuur ook af aan de evoluties binnen Europa en mondiaal.

Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

Omdat (zeker binnen Europa) de jaargemiddelde temperaturen in de pre-industriële periode 1750-1799 erg gelijkaardig zijn met deze in de periode 1850-1899 en in deze laatste periode metingen voor veel meer locaties beschikbaar zijn, wordt 1850-1899 gebruikt als referentieperiode voor toetsing aan de 2 °C-doelstelling. De temperatuurverandering wordt uitgedrukt als 1) de afwijking van de jaargemiddelde temperatuur t.o.v. de gemiddelde temperatuur tijdens de periode 1850-1899, en 2) het tienjarige voortschrijdende gemiddelde van de afwijking t.o.v. dezelfde referentie.

Bron: MIRA op basis van KMI, EEA en UK Met Office Hadley Centre and Climate Research Unit (WWW.MILIEURAPPORT.BE)
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Gemiddelde temperatuurstijging mag maximaal 2 °C bedragen

Het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties uit 1992 bepaalt dat de broeikasgasconcentratie in de atmosfeer gestabiliseerd moet worden op een niveau waarop geen gevaarlijke menselijke verstoring van het klimaatsysteem optreedt. Dit moet gebeuren binnen een termijn die ecosystemen toelaat zich op natuurlijke wijze aan te passen aan de klimaatverandering, die de voedselvoorziening verzekert en die de economische ontwikkeling op een duurzame manier laat voortgaan. In de EU is in 2008 afgesproken dat daartoe de mondiale jaargemiddelde temperatuur maximum 2 °C mag stijgen ten opzichte van de periode voor het industriële tijdperk. Sinds eind 2010 hebben ook de landen onder het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC) de stabilisatiedoelstelling van 2 °C overgenomen. En in het Klimaatakkoord van Parijs werd een globaal actieplan goedgekeurd om de mondiale temperatuurtoename ruim onder de 2 °C te houden, met als doel de stijging te beperken tot 1,5 °C ten opzichte van het pre-industriële tijdperk.

Omdat (zeker binnen Europa) de jaargemiddelde temperaturen in de pre-industriële periode 1750-1799 erg gelijkaardig zijn met deze in de periode 1850-1899 en in deze laatste periode metingen voor veel meer locaties beschikbaar zijn, wordt voor toetsing aan de 2 °C-doelstelling doorgaans gewerkt met 1850-1899 als referentieperiode.

Mens jaagt mondiale temperatuur omhoog

Mondiaal nam de gemiddelde oppervlaktetemperatuur op aarde toe met ruim 0,83 °C tussen 1850 en 2015 (eerste figuur). Daarmee werd al bijna de helft van de marge tot de stabilisatiedoelstelling van 2 °C ingenomen. Ondanks enkele korte periodes van afkoeling (eind 19de eeuw, de jaren 1910 en de jaren 1950) kende de jaargemiddelde temperatuur op aarde de laatste 140 jaar een belangrijke stijging. Die stijging is zowel in omvang als in snelheid waarmee ze plaatsvindt ongewoon, en overtreft ruimschoots de natuurlijke klimaatfluctuaties van de laatste 1 000 jaren. De laatste 3 decennia waren warmer dan alle vorige decennia sinds 1850. Het noordelijk halfrond blijkt bovendien sneller op te warmen dan het zuidelijk halfrond. Met een jaargemiddelde temperatuur 1,08 °C boven het pre-industriële niveau was 2015 bovendien het warmste jaar sinds de start van de metingen, en overtreft het de temperatuur van het vorige recordjaar 2014. En voorlopige schattingen van de World Meteorological Organization (WMO) geven aan dat 2016 voor het derde opeenvolgende jaar een nieuw record zal vestigen (+1,2 °C t.o.v. 1850-1899).

Vooral sinds de jaren 1970 nam de temperatuur snel toe. De laatste 10 à 15 jaar warmt het aardoppervlak echter minder snel op. Die rem op de recente temperatuurtoename wordt quasi evenredig toegeschreven aan natuurlijke oorzaken (meer vulkaanuitbarstingen en een periode van verminderde zonne-activiteit) en aan een verkoelende bijdrage door de interne variabiliteit in het aardse klimaatsysteem (herverdeling warmte in diepere oceaanlagen). Voorts ondervindt het verloop van de jaargemiddelde mondiale temperatuur ook natuurlijke, meerjaarlijkse schommelingen door de afwisseling tussen El Niño en La Niña, met respectievelijk een opwarmend en een afkoelend effect onder invloed van overheersende stromingen en windpatronen in het zuidelijk deel van de Stille Oceaan. Niettemin blijft de jaargemiddelde temperatuur op aarde verder stijgen, zodat de 27 warmste jaren sinds 1850 allemaal in de periode tussen 1983 en 2015 liggen.

Het IPCC wijst de toename van de mondiale temperatuur in de laatste decennia vooral toe aan antropogene activiteiten, waarbij de uitstoot van broeikasgassen heeft geleid tot een stijging van de concentratie aan broeikasgassen in de atmosfeer. Ook natuurlijke factoren zoals de verandering in zonne‐ en vulkaanactiviteit beïnvloeden de jaargemiddelde temperatuur op aarde, maar deze factoren kunnen de substantiële opwarming van de laatste 50 jaar niet verklaren.

Opwarming in Europa nog groter

Boven het Europese landoppervlak is de temperatuur nog sterker gestegen dan het mondiale gemiddelde en zelfs sterker dan het noordelijk halfrond: het voortschrijdend tienjaargemiddelde bevindt er zich inmiddels 1,6 °C boven de pre-industriële referentie (eerste figuur).

Tot voor kort stonden 2007 en 2008 gekend als respectievelijk het warmste en het tweede warmste jaar sinds 1850. Maar in 2014 werd met een jaargemiddelde dat bijna 2,2°C hoger lag dan het referentieniveau een nieuw absoluut record gevestigd voor het Europese vasteland. En vlak daarna veroverde 2015 (+1,9 °C t.o.v. 1850-1899) een tweede plaats in de top van warmste Europese jaren sinds de industriële revolutie. En de 19 warmste jaren sinds 1850 lagen allemaal in de periode 1989-2015.

België (Ukkel) is nu ruim 2,4 °C warmer dan in pre-industriële periode

Ook in België vertonen de metingen een duidelijk stijgende trend (eerste figuur). Statistische analyse van de jaargemiddelde temperatuur in Ukkel geeft aan dat die temperatuur significant stijgt sinds eind 19de eeuw. Halverwege de 20ste eeuw viel de stijging bijna stil, maar sinds de jaren 60 van de vorige eeuw ging de temperatuur steeds sneller stijgen, tot wel +0,4°C per decennium. Sinds eind jaren 90 neemt de snelheid van de stijging niet langer toe: de trendlijn van de jaargemiddelde temperatuur blijft verder stijgen aan eenzelfde tempo van bijna +0,4 °C per decennium. De trendlijn van de jaargemiddelde temperatuur geeft aan dat het in Ukkel ondertussen gemiddeld 2,4 °C warmer is dan in de pre-industriële periode (tweede figuur).

De 19 warmste jaren sinds het begin van de metingen in Ukkel (1833) liggen allemaal in de periode 1989-2015. Het absolute recordjaar was bovendien 2014 met een jaargemiddelde van 11,9 °C. In België (Ukkel) wordt de top drie van warmste jaren vervolledigd door 2011 (11,6 °C) en 2007 (11,5 °C). 2015 valt met 11,3°C nog net binnen de top vijf.

Invloed verstedelijking

Uit analysen van het KMI, de KU Leuven en VITO blijkt dat de temperatuurstijging in Ukkel voor een deel ook veroorzaakt kan zijn door het zogenaamde hitte-eilandeffect (zie ook hier). Zo wordt een kwart van de temperatuurstijging in de zomer, opgetekend te Ukkel tussen 1960 en 1999, toegewezen aan een intensivering van het stedelijke effect in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Onder invloed van een verstedelijking van het landschap, wijzigt immers het lokale windklimaat en komen meer materialen als beton en asfalt voor die beter de warmte capteren. Dit leidt vooral 's nachts tot de vorming van hitte-eilanden, waarbij de stad minder afkoelt dan het omliggende platteland. MIRA heeft een onderzoek laten uitvoeren naar karakterisatie en kwantificering van hitte-eilanden in Vlaanderen. De resultaten hiervan zijn opgenomen in het MIRA Klimaatrapport 2015.

Ruimtelijke patronen

De Klimaatatlas van het KMI brengt de ruimtelijke spreiding van verschillende meteorologische parameters in kaart voor het huidige klimaat. De dertigjarige referentieperiode die daarbij wordt gehanteerd betreft 1981-2010. Uit de derde figuur blijkt dat de jaargemiddelde temperatuur oploopt van het zuidoosten naar het noordwesten van ons land, en van 7,5 °C op de Hoge Venen en sommige Ardense toppen tot ruim 11 °C in de Kempen. Het jaargemiddelde voor het Belgische grondgebied in zijn geheel bedroeg 9,8 °C in de periode 1981-2010. Warmste en koudste maanden waren respectievelijk de maanden juli (17,8 °C) en januari (2,5 °C). De opgetekende dagelijkse maximum- en minimumtemperaturen vertonen steeds variaties van circa 4 °C binnen het Belgisch grondgebied, onafhankelijk van de maand of het seizoen. Hun verdeling wordt hoofdzakelijk bepaald door twee factoren: de afstand tot de zee en de hoogteligging. De temperatuur van het zeewater verandert uiterst langzaam, wat de seizoenvariatie van de temperatuur aan de Kust afzwakt en vertraagt: de winter is er zachter en de zomer frisser dan in het binnenland. Buiten de kuststreek daalt de temperatuur gemiddeld met 0,6 °C voor elke 100 meter hoogteverschil.

Meer info

Wat zijn de verwachtingen voor klimaatverandering in Vlaanderen en omgeving voor de toekomst? Welke gevolgen heeft dit? En hoe kunnen we ons tijdig aanpassen om de effecten van klimaatverandering op te vangen? Deze vragen krijgen een antwoord in het MIRA Klimaatrapport 2015, over waargenomen en toekomstige klimaatveranderingen. Aan de hand van scenario’s is de bandbreedte van de verwachtingen tegen 2030, 2050 en zelfs 2100 in beeld gebracht. Daarbij gaat heel wat aandacht naar de mogelijke evolutie van jaar-, seizoen- en maandgemiddelde temperaturen en diverse temperatuurextremen. Ook de ruimtelijke verschillen in klimaatverandering die zich kunnen aftekenen binnen Vlaanderen en omgeving komen expliciet aan bod.

Om de vier jaar brengt het Europees Milieuagentschap (EMA) een rapport uit dat op basis van indicatoren de actuele toestand en mogelijke veranderingen in klimaattoestand, impact en kwetsbaarheid voor Europa in kaart brengt. Het meest recente rapport dateert van januari 2017: Climate change, impacts and vulnerability in Europe 2016 (pdf, 64 MB).

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht