Deel deze pagina

Verzenden

Neerslagextremen

De laatste decennia nemen de atmosferische concentraties van broeikasgassen en aerosolen toe hoofdzakelijk ten gevolge van menselijke activiteiten. Die toename leidt tot verhoogde temperaturen op aarde, wat verstoring van het klimaat met zich meebrengt. Die verstoring kan bestaan uit wijzigende neerslagpatronen.

Deze indicator gaat na in hoeverre er in België wijzigingen optreden in het voorkomen van periodes met extreme neerslag. Periodes met extreem veel neerslag kunnen immers leiden tot overstromingen, terwijl lange droge periodes leiden tot verdroging van ecosystemen en aantasting van de waterreserves.

Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

Bron: MIRA op basis van KMI (WWW.MILIEURAPPORT.BE)
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Mens beïnvloedt extreme neerslag

In 2011 konden wetenschappers voor het eerst aantonen dat menselijke activiteiten een bijdrage leveren aan de waargenomen intensifiëring van extreme neerslagperiodes in het noordelijk halfrond. De frequentie van periodes met hevige regenval is op de meeste plaatsen op aarde toegenomen. Dit komt overeen met de opwarming en de toename – minstens al sinds de jaren 80 – van de waterdampconcentratie in de atmosfeer zowel boven land als boven de oceanen.

Ook binnen Europa komen periodes van hevige neerslag steeds vaker voor, en zijn ze bovendien intenser geworden. Toch zijn er belangrijke verschillen tussen de verschillende regio's en seizoenen. Zo tonen de meeste studies aan dat sinds de jaren 1950 de periodes met hevige neerslag intenser geworden zijn in Noord- en Noord-Oost-Europa. En belangrijke delen van Zuid- en Centraal-Europa worden sinds de jaren 1950 steeds vaker geconfronteerd met droogte-episodes (neerslagtekort).

Toename in maximale neerslag gevallen in tijdspanne van enkele dagen

Voor België (Ukkel) vertoont de meetreeks van het aantal dagen met zware neerslag (minstens 20 mm/dag) een eerder golvende trend: vooral tussen midden jaren 1980 en begin jaren 2000 werd een duidelijke stijging van het aantal dagen met zware neerslag opgetekend (eerste figuur). Inmiddels telt een jaar 5 dagen met zware neerslag, daar waar dit begin jaren 1950 nog maar 3 betrof. Toch is deze stijging net niet significant te noemen door enkele jaren met een minder hoog aantal dagen met zware neerslag. Het recordjaar was 2004 met 12 dagen van zware neerslag. Intense neerslag komt meestal voor in de zomer omwille van intense onweersbuien die vallen in een tijdsspanne van enkele uren.

Ook door per jaar de maximaal gemeten neerslag op 1 dag of in een aaneensluitende periode van 5, 10 of 15 dagen te beschouwen, kunnen wijzigingen in extreme neerslag opgespoord worden (tweede figuur). Analyse voor de meetreeks 1880-2016 geeft aan dat de trendlijnen langzaam oplopen. Door de grotere variantie in een kleine periode, is die stijging voor een periode van 1 dag niet significant, maar voor aaneensluitende periodes van 5, 10 en 15 dagen blijkt de maximale hoeveelheid neerslag die daarbinnen valt wel significant hoger te liggen in 2016 vergeleken met 1880: respectievelijk +10 mm, +18 mm en +25 mm. Het KMI stelde eerder al vast dat de natste periodes langer dan een week meestal in de winter voor komen, en dat de hoeveelheid neerslag in de winter die minstens valt in enkele dagen de neiging heeft toe te nemen.

Intensiteit droogteperiodes niet gewijzigd

Naast periodes met erg veel neerslag, vallen ook droogteperiodes onder de noemer 'extreme neerslag'. Het KMI definieert een droge dag als een dag met maximum 0,5 mm neerslag. Uit een analyse van het maximum aantal opeenvolgende droge dagen in een jaar, blijkt geen significante trend voor het meetpunt in Ukkel over de periode 1880-2015 (derde figuur). Dit geeft aan dat de droogteperiodes niet intenser zijn geworden sinds het einde van de 19de eeuw. De recordjaren zijn 1893 en 2007, met droogteperiodes die respectievelijk 44 en 37 dagen aanhielden. Eenzelfde analyse tot 2016 maar dan enkel over het groeiseizoen (van april tot en met september) gaf evenmin een significante droogtetrend aan (derde figuur).

In het kader van het MIRA Klimaatrapport 2015 werd naast een analyse van droge periodes op basis van een absoluut criterium – maximaal 0,5 mm neerslag per dag – droogte ook op een relatieve manier bekeken. Daarbij werd de waargenomen neerslag in één of een aantal maanden vergeleken met de neerslag van dezelfde maand(en) in de referentieperiode 1850-1899. Om de omvang van de problematiek beter in beeld te brengen, werden de periodes van relatieve droogte verder geanalyseerd aan de hand van drie afgeleide indicatoren. De droogtemagnitude combineert de lengte van de droogteperiode met de mate waarin de neerslaghoeveelheid in negatieve zin afwijkt van die in de referentieperiode. Daarnaast werden ook de lengte van de droogteperiodes en de lengte van de droogtevrije periodes geanalyseerd. Uit statistische analyse bleek voor geen van de drie afgeleide indicatoren een significante trend binnen de periode 1835-2014.

Waterbeschikbaarheid

In het kader van het milieuthema 'waterkwantiteit' analyseert MIRA ook de waterbeschikbaarheid voor zowel menselijke activiteiten als ecosystemen. Bij deze laatste wordt het neerslagtekort bepaald als indicatie voor droogtestress bij planten.

Meer info

Wat zijn de verwachtingen voor klimaatverandering in Vlaanderen en omgeving voor de toekomst? Welke gevolgen heeft dit? En hoe kunnen we ons tijdig aanpassen om de effecten van klimaatverandering op te vangen? Deze vragen krijgen een antwoord in het MIRA Klimaatrapport 2015, over waargenomen en toekomstige klimaatveranderingen. Aan de hand van scenario’s is de bandbreedte van de verwachtingen tegen 2030, 2050 en zelfs 2100 in beeld gebracht. Daarbij gaat heel wat aandacht naar de mogelijke evolutie van de neerslagtotalen per jaar, per seizoen en per maand, en naar mogelijke veranderingen in het voorkomen van diverse neerslagextremen. Ook de ruimtelijke verschillen in klimaatverandering die zich kunnen aftekenen binnen Vlaanderen en omgeving komen expliciet aan bod.

Om de vier jaar brengt het Europees Milieuagentschap (EMA) een rapport uit dat op basis van indicatoren de actuele toestand en mogelijke veranderingen in klimaattoestand, impact en kwetsbaarheid voor Europa in kaart brengt. Het meest recente rapport dateert van januari 2017: Climate change, impacts and vulnerability in Europe 2016 (pdf, 64 MB).

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht