Deel deze pagina

Verzenden

Slachtoffers bij hittegolven in België

De relatie tussen temperatuur en sterfte is U-vormig: de mortaliteit neemt toe bij temperaturen die ver boven of onder de optimale temperatuur liggen. Dat optimum is trouwens locatiespecifiek: de bevolking van Zuid-Europese landen is beter bestand tegen hoge temperaturen dan inwoners van onze regio.

Hogere temperaturen verhogen vooral de sterfte bij bejaarden, bij mensen met hart- en vaatziekten en ademhalingsproblemen, en bij kinderen jonger dan 4 jaar. De impact van hitteperiodes is vaak minder zichtbaar dan de schade door bijvoorbeeld overstromingen of orkanen. Nochtans blijkt de blootstelling aan hitte toch beduidend meer slachtoffers te maken: vergelijk bijvoorbeeld de 1 500 slachtoffers van orkaan Katrina van 2005 in de VS met de ruim 70 000 slachtoffers van de Europese hittegolf in de zomer van 2003.

Deze indicator gaat daarom na tot welke oversterfte hittegolven leiden in België, en is gebaseerd op analyses uitgevoerd door het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid. Een hittegolf is hierbij gedefinieerd als een periode van minstens vijf dagen waarin de maximale dagtemperatuur te Ukkel 25 °C of meer bedraagt (zomerdagen), en waarin bovendien drie dagen lang de temperatuur er boven de 30 °C stijgt (tropische dagen). En ook andere gezondheidseffecten van hittegolven komen aan bod.
Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

Vergelijking dagelijkse sterfte met overschrijding van temperatuur- en ozondrempels (België, zomer 2006)

Bron: Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid



Verloop

België geconfronteerd met hittedoden

Oversterfte wordt vooral opgetekend tijdens periodes waarin de dagelijkse maximumtemperatuur boven de 25 °C stijgt. Zulke warme periodes vallen regelmatig samen met periodes waarin ook de gezondheidsdrempel voor ozon (03) overschreden wordt, wat op zijn beurt ook bijdraagt tot de verhoogde sterfte tijdens hitteperiodes (eerste figuur).

In Europa was de zomer van 2003 waarschijnlijk de heetste sedert het jaar 1500. Niettegenstaande extreme weerfenomenen ook ‘toevallig’ kunnen gebeuren, speelt de menselijke invloed een grote rol. Onderzoek geeft aan dat menselijke activiteit het risico op een dergelijke hittegolf verdubbelt met een zekerheid van minstens 90 %.

Onderzoek naar het aantal hittedoden in die zomer van 2003 geeft aan dat in de maanden juni tot september dat jaar in 12 Europese landen een verhoogde sterfte werd opgetekend. In totaal lag de sterfte in die 4 zomermaanden er gemiddeld 6,99 % hoger dan in de zomermaanden in de referentiejaren (1998-2002). In Frankrijk liep de extra sterfte in de tweede week van augustus zelfs op tot 96,5 %. In totaal bedroeg het aantal extra doden in die 4 zomermaanden 71 445. De extreme temperaturen verergerden ook de blootstelling aan andere schadelijke stoffen, zoals troposferisch ozon en fijn stof.

Slachtoffers: vooral bejaarden en in steden

Vooral in steden staan mensen bloot aan hittestress als gevolg van klimaatverandering. Door de blokkering van wind en het vasthouden van warmte in beton, asfalt en stenen kan het in steden nog veel warmer worden dan in de omliggende gebieden. Zo kunnen steden uitgroeien tot heuse hitte-eilanden. Vooral tijdens de nacht kan het temperatuurverschil met de omgeving er oplopen. Ook socio-economische factoren spelen mee in de verhoogde gevoeligheid van stedelingen voor hitteperiodes: bijvoorbeeld sociale isolatie, dakloosheid, verminderde mobiliteit en lagere inkomens.

Sinds 1990 kende België 6 zomers met een langdurige hittegolf:

  • in de zomer van 1994 kostte een hittegolf in combinatie met hoge ozonconcentraties op 6 weken tijd het leven aan heel wat mensen: er werd een oversterfte van 1 226 mensen opgetekend;
  • in 2003 kende ons land een belangrijke hittegolf die 14 dagen aanhield, en een andere warme periode die 13 dagen aanhield. Voor deze periodes bedroeg de oversterfte 1 230 personen. Over de ganse zomer (maanden juni tot september) van 2003 bekeken, komt men zelfs uit op een oversterfte van 2 052. Ook de ozonconcentraties waren zeer hoog;
  • 2006 kende 2 hittegolven, respectievelijk 5 en 21 dagen lang, en één andere warme periode van 9 dagen. Samen zorgden deze 3 periodes voor een oversterfte van 1 263 doden (eerste figuur). Bijna de helft van de slachtoffers was 85 jaar of ouder;
  • eind juni en in de eerste helft van juli 2010 volgden 2 hittegolven vlak na elkaar. De eerste hittegolf hield 12 dagen aan, en leidde tot een oversterfte van 593 personen. De tweede hittegolf hield 8 dagen aan, en zorgde voor 374 slachtoffers. In beide periodes lag de mortaliteit significant hoger dan het referentieniveau: respectievelijk +20 % en +19 %. Ruim 40 % van de slachtoffers was 85 jaar of ouder;
  • in de zomer van 2013 was vooral de maand juli uitzonderlijk warm. Tussen 6 juli en 4 augustus werden 20 dagen optekend met een maximumtemperatuur boven de 25 °C, 5 dagen met een maximumtemperatuur boven de 30 °C en 6 dagen waar de minimumtemperatuur boven de 18 °C bleef. Toch bleef de oversterfte in deze warme periode beperkt. Enkel in de leeftijdscategorie van 85 jaar en meer werd een lichte maar significant verhoogde sterfte genoteerd (6,1 % hoger dan de verwachte sterfte voor deze periode van het jaar);
  • ook de zomer van 2015 was warm met een totaal van 32 dagen waarop een maximumtemperatuur hoger dan 25 °C werd gemeten. 7 dagen oversteeg de maximumtemperatuur 30 °C, en 6 dagen bleef de minimumtemperatuur boven 18 °C hangen. De meest intense hitteperiode duurde 8 dagen van 30 juni tot 7 juli. Op 5 van die dagen werd ook een gemiddelde ozonconcentratie boven 120 µg/m3 gemeten. Deze hoge temperaturen en ozonconcentraties vielen samen met een significante oversterfte van +20% van 1 tot 5 juli (tweede figuur). De oversterfte hield het langst aan bij de 85-plussers. In augustus volgden nog twee periodes van 5 opeenvolgende dagen met een maximumtemperatuur boven 25 °C. Maar dagen met maximumtemperatuur > 30 °C bleven hier beperkt, zo ook de signalen van oversterfte.

2007, 2008 en 2009 kenden geen langdurige hitteperiodes, en er werd die jaren dan ook geen significante oversterfte in de zomermaanden geregistreerd. Ook in de zomer van 2011 waren de temperaturen veelal gematigd. Enkel eind juni werd een oversterfte van 238 slachtoffers geregistreerd tijdens enkele opeenvolgende dagen met maximumtemperaturen boven de 25 °C. De slachtoffers vielen vooral in de leeftijdscategorie boven 65 jaar. In de zomer van 2012 viel een korte piek van oversterfte samen met een periode van 5 opeenvolgende warme dagen (met maxima boven de 25 °C) eind juli en werd ook een oversterfte genoteerd tijdens een hittegolf in augustus. In de zomer van 2014 werd in de tweede helft van juli een periode van meer dan 10 dagen met maximumtemperatuur > 25 °C, 2 dagen > 30 °C en 5 dagen met minimumtemperatuur > 18 °C gemeten. De ozonconcentratie oversteeg gedurende slechts één dag de drempelwaarde van 120 µg/m3. 2 dagen werd een lichte (maar significante) oversterfte gemeten. Tijdens de zomer van 2016 kwamen drie periodes voor waarin de maximumtemperatuur gedurende 5 dagen telkens boven de 25 °C uit steeg (18-22 juli; 23-27 augustus; 12-15 september ). Maar daarbinnen oversteeg de temperatuur nooit 3 dagen de 30 °C. Enkel in juli en augustus werd een kort signaal van significante oversterfte gemeten, met name bij de 85-plussers.

De buitengewone sterfteratio tijdens hittegolven is het hoogst bij bejaarden en bij mensen die vooraf reeds ziek waren. In veel landen vindt vergrijzing van de bevolking plaats, waardoor het aantal mensen die gevoelig zijn voor hittestress toeneemt en klimaatverandering op die manier tot bijkomende impact leidt. Baby’s en jonge kinderen vormen mogelijk ook een risicogroep omdat hun temperatuurregulatie nog in ontwikkeling is en er ook sneller uitdroging kan optreden. Alhoewel kan worden verwacht dat een deel van de sterftes tijdens een hittegolf voorkomt bij gevoelige personen die anders in de daaropvolgende weken of maanden gestorven zouden zijn, gaf wetenschappelijk onderzoek daaromtrent geen aanwijzingen: ook na de zomermaanden van 2003 bleef de sterfteratio zelfs nog boven die van de referentieperiode.

Publieke bewustwording van de hitte-problematiek en de installatie van een opvolgingssysteem kunnen het aantal hittedoden sterk terugdringen. Dit blijkt duidelijk uit een vergelijking van de situatie in Frankrijk tijdens de zomer van 2003 en de daaropvolgende zomers. Ook bij ons blijkt uit een analyse voor de zomer 2013 dat sensibilisering helpt. Zo werd in de maanden juli en augustus, die nochtans een lang aanhoudende hitteperiode kenden met daarin 2 hittegolven, geen significante stijging van het aantal overlijdens genoteerd. Specifiek in steden kunnen ook groene ruimten met voldoende vegetatie en wateroppervlakten de impact van hitteperiodes reduceren.

Ook meer vroeggeboortes

In 2016 konden onderzoekers aantonen dat hittegolven niet enkel leiden tot vroegtijdige overlijdens, maar dat hoge omgevingstemperaturen ook leiden tot significant meer vroeggeboortes (geboorte na 36 weken of minder zwangerschap) in Vlaanderen. Vroeggeboorte is in Westerse landen niet enkel de belangrijkste doodsoorzaak voor pasgeboren kinderen, maar kinderen die toch weten te overleven blijken er zelfs tot op volwassen leeftijd gezondheidseffecten van te ondervinden.

Zowel een verhoogde dagelijkse minimumtemperatuur als een oplopende maximumtemperatuur lokken meer vroeggeboortes uit:

  • wanneer de nachtelijke minimumtemperatuur verhoogt van 8,3 °C (mediaan in de periode 1998-2011) naar 16,3 °C, neemt het risico op vroeggeboorte toe met 8,5 %. Loopt tijdens extreme hitteperiodes in ons land de minimumtemperatuur nog verder op tot 19,0 °C, dan verhoogt dat risico zelfs met 15,6 %;
  • het risico op vroeggeboorte neemt toe met 9,6 % in Vlaanderen wanneer de dagelijkse maximumtemperatuur verhoogt van 14,7 °C (mediaan in de periode 1998-2011) naar 26,5 °C en zelfs met 14,5 % bij dagen waarop de maximumtemperatuur oploopt tot 30,7 °C.

Meer info

Het MIRA-onderzoeksrapport 'Indicatoren van het stedelijk hitte-eiland in Vlaanderen'.

Het 'Hittegolf- en ozonpiekenplan' van de Vlaamse overheid.

Het 'Be-MOMO project' voor monitoring van de mortaliteit in België.

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht