Deel deze pagina

Verzenden

Toegewezen versus benodigde emissierechten voor bedrijven onder Europees emissiehandelssysteem (ETS)

Deze indicator volgt zowel per deelsector* als voor het geheel van Vlaanderen de verhouding op tussen de werkelijke emissies en de vooraf toegekende gratis emissierechten.

De over- en onderallocatie van emissierechten wordt zowel weergegeven in absolute aantallen (Mton emissies; eerste en vooral tweede figuur) als relatief ten opzichte van de geverifieerde emissies (%; derde figuur). Positieve getallen geven aan dat er meer gratis emissierechten werden verleend dan nodig. Indien het aantal gratis verkregen emissierechten niet voldoende was om alle geverifieerde emissies te compenseren, is het getal negatief.

* Omdat de databron voor deze indicator een andere indeling hanteert dan de MIRA Kernset Milieudata, werden (enkel) bij deze emissie-indicator enkele emissiestromen bij een andere (deel)sector ingedeeld dan gebruikelijk. Concreet vallen nu emissies van enkele WKK-installaties en van een naftakraker onder de sector industrie in plaats van onder de sector energie.
Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

Handelsperiode I = 2005-2007 Handelsperiode II = 2008-2012 Handelsperiode III = 2013-2020

Bron: MIRA (VMM) en VITO op basis van Departement LNE (WWW.MILIEURAPPORT.BE)
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Eerste en tweede handelsperiode

Focus emissiehandelssysteem verschuift en verbreedt

Het ETS heeft sinds de start in 2005 al enkele belangrijke veranderingen ondergaan. Tijdens de eerste handelsperiode (2005-2007) bleek immers dat niet alle lidstaten de regels voor toetreding tot het ETS op dezelfde manier hadden geïnterpreteerd. Voor de aanvang van de tweede handelsperiode (2008-2012) werd dit door de Europese Commissie uitgeklaard. Hierdoor moesten ondermeer in Vlaanderen een aantal installaties toetreden, terwijl andere net niet meer onder het ETS vielen. Emissies van WKK-installaties verschoven bovendien van de sector energie naar de industriële deelsectoren van de exploitanten.

De verschillen tussen de 2 handelsperiodes vallen in Vlaanderen vooral op bij de deelsectoren elektriciteit, raffinaderijen, keramische industrie, aardgastransport & -distributie en hout. Zo valt de gehele deelsector aardgastransport & -distributie pas sinds de tweede handelsperiode onder het ETS. En ook bij de chemie viel een belangrijke verbreding van het ETS-toepassingsgebied te noteren: de krakerinstallaties vielen pas vanaf de tweede handelsperiode onder de ETS-bepalingen, wat bijna tot een verdubbeling leidde van de binnen het ETS te beschouwen emissies in de deelsector chemie.

Gratis verkregen emissierechten voldoende om broeikasgasemissies te compenseren

Ondanks deze veranderingen tussen de eerste en tweede handelsperiode valt in de eerste twee grafieken onmiddelijk op dat vooral tussen de tweede handelsperiode en de derde handelsperiode, die startte in 2013, grote verschillen optreden. In de eerste twee handelsperioden waren de totale gratis emissierechten die bedrijven kregen ruimschoots voldoende om de Vlaamse ETS-emissies te compenseren. In 2011 en 2012 lagen de ETS-emissies zelfs gevoelig lager dan het aantal uitgereikte gratis emissierechten.

Dit zorgde voor een overallocatie van emissierechten ten opzichte van de emissies in Vlaanderen en de rest van Europa. Deze overallocatie had uiteraard een belangrijk negatief effect op de prijs van de emissierechten. Op het einde van de eerste handelsperiode (in 2007) daalde die zelfs tot bijna 0 EUR. Ook in de tweede handelsperiode (2008-2012) kende de prijs van de emissierechten een kritisch verloop, met opvallende dalingen in de prijs in februari 2009 en eind 2011 (zie ook vierde figuur). Het feit dat er voldoende ETS-emissierechten zijn toegewezen voor Vlaamse installaties, wil echter niet zeggen dat er geen handel is in emissierechten en dat er geen gebruik wordt gemaakt van andere mechanismen, zoals die van het Clean Development Mechanism (CDM) en de Joint Implementation (JI). Dit betreft internationale mechanismes waarbij ontwikkelingslanden en ontwikkelde landen projecten kunnen opstarten die resulteren in geverifieerde emissiereducties en die verhandeld kunnen worden op de internationale koolstofmarkt. Emissierechten van deze mechanismen kunnen ook door bedrijven aangekocht en gebruikt worden en verhogen het totaal aantal emissierechten in het ETS. Hoewel daar in principe geen reden voor is, werd dit toch gedaan door Vlaamse installaties. Zo leverde Arcelor Mittal Gent in 2011 voor meer dan 4 Mton CO2-eq CDM-emissierechten in. Zulke emissiekredieten zijn vaak goedkoper dan de marktprijs voor gewone emissierechten (EUA’s). Inlevering van die kredieten laat toe de gratis toebedeelde EUA’s op te sparen of door te verkopen.

Elektriciteitssector grootste netto aankoper van emissierechten

Van bij de aanvang van het ETS kregen de elektriciteitsproducenten minder gratis emissierechten dan dat ze CO2 uitstoten. Elektriciteitsproducenten hebben deze bijkomende kost gedeeltelijk opgevangen door de elektriciteitsproductie in fossiele centrales te verminderen en over te schakelen naar hernieuwbare energie (bijvoorbeeld door (co)-verbranding biomassa). Ook de import van elektriciteit in Vlaanderen verdrievoudigde tussen 2005 en 2014. Het resultaat was dat de consumptie van fossiele brandstoffen door klassieke thermische centrales 60 % lager was in 2014 dan in 2005.

Andere deelsectoren boeken overschotten dankzij convenanten

Opvallend is dat vrijwel alle deelsectoren (behalve de elektriciteitsproducenten) meer gratis emissierechten verkregen dan dat ze nodig hadden in de eerste en de tweede handelsperiode. De reden hiervoor is dat energie-intensieve bedrijven die toetraden tot het Vlaamse benchmarkconvenant, dat liep van 2005 tot 2014, hun emissierechten gratis kregen. Indien bedrijven beter doen dan de doelstelling vooropgesteld in het benchmarkconvenant (nl. behoren tot de top 10 % wat betreft laagste specifieke energiegebruik van vergelijkbare installaties in de wereld), krijgen die bedrijven meer emissierechten dan ze nodig hebben. De resultaten van het Verificatiebureau Benchmarking Vlaanderen (VBBV) tonen inderdaad aan dat de bedrijven die toegetreden zijn tot het benchmarkingconvenant vaak al efficiënter waren dan de 10 %-grens.

In sommige individuele gevallen leidt dit tot een zeer hoge overallocatie van gratis emissierechten, zowel in relatieve als in absolute aantallen. In absolute termen krijgt het bedrijf Arcelor Mittal Gent het grootste aantal gratis emissierechten (voor meer dan 7 milioen ton CO2-eq per jaar in 2013 en 2014) en is daarmee de belangrijkste ETS-installatie in Vlaanderen. Dit komt overeen met de situatie in de andere Europese landen, waar de ijzer- & staalindustrie vaak een groot aandeel heeft verkregen aan gratis emissierechten. Niet toevallig is dit ook de sector die het meeste vreest dat de additionele kosten van het ETS de productie verder zou kunnen doen verschuiven naar lageloonlanden, ook wel carbon leakage genaamd. Recente studies  tonen aan dat deze vrees niet altijd gegrond was.

Voor Arcelor Mittal Gent is de situatie echter meer complex. Siderurgische gassen van Arcelor Mittal Gent worden door Electrabel gebruikt voor het opwekken van elektriciteit (in de centrales Rodenhuizen en Knippegroen). De emissierechten voor de ijzer- & staalindustrie houden rekening met de emissies die vrijkomen bij de elektriciteitsopwekking met siderurgische gassen. Maar hoewel Arcelor Mittal Gent wel de rechten kreeg toegewezen, moet ze geen rechten inleveren voor deze emissies want die komen op rekening van de Electrabel-centrales. In de eerste en tweede handelsperiode legde de Vlaamse Regering daarom aan Arcelor Mittal Gent op om de noodzakelijke rechten kosteloos aan Electrabel over te maken.

De economische crisis in 2009 heeft vooral in de deelsectoren ijzer & staal en chemie voor duidelijke effecten gezorgd. De verminderde activiteit resulteerde in minder emissies, maar had geen invloed op het aantal gratis emissierechten dat werd verkregen (rekenregels hiervoor waren afgesproken voor aanvang van de crisis) waardoor er een piek ontstond in de overallocatie van rechten.

 

In 2011 en 2012 is er opnieuw een belangrijke netto overallocatie van emissierechten. De reden hiervoor is niet zozeer een te grote overallocatie in de industrie, maar wel de belangrijke afname van de ETS-emissies in de sector energie.

 

Derde handelsperiode

Bij de start van de derde handelsperiode (2013-2020) werden er opnieuw belangrijke veranderingen doorgevoerd:

  1. Een verdere uitbreiding (meer gassen en meer activiteiten) van de activiteiten die onder het ETS vallen. Dit omvat ondermeer de CO2- en N2O-emissies die vrijkomen bij de productie van salpeterzuur, adipinezuur, glyoxal en glyoxylzuur. Deze uitbreiding van het toepassingsgebied betekent voor Vlaanderen een niet onbelangrijke verschuiving van emissiebronnen (en emissies) naar het ETS, die vooral merkbaar is in de deelsector chemie.
  2. Aanpassing en harmonisatie  van de allocatieregels waarmee emissierechten worden verdeeld. Het totaal aantal emissierechten zal jaarlijks nog verder afnemen met 1,74 %, zodat in 2020 de Europese ETS-emissies slechts 79 % bedragen van die in 2005. Daarbij zal ook de fractie gratis toebedeelde emissierechten worden afgebouwd. De elektriciteitsproducenten krijgen geen gratis emissierechten meer. Industriële deelsectoren die niet gevoelig zijn voor internationale concurrentie, krijgen aanvankelijk nog 80 % van de benodigde emissierechten gratis. Daarna zal dit percentage afnemen tot 30 % in 2020. Deelsectoren die wel gevoelig zijn voor internationale concurrentie, blijven 100 % van de emissierechten gratis verkrijgen. De emissierechten die niet gratis worden verdeeld, worden op veilingen verhandeld aan de ETS-installaties. In de eerste en tweede handelsperiode waren de lidstaten (in het geval van België zijn dit de gewesten) verantwoordelijk voor het toekennen van emissierechten aan de verschillende installaties die onder het ETS vielen. Lidstaten gebruikten hiervoor verschillende methodieken en aannames waardoor in sommige gevallen gelijkaardige installaties in verschillende lidstaten een sterk verschillend aantal gratis emissierechten kregen toebedeeld. Aangezien alle Europese installaties wel tot dezelfde koolstofmarkt behoorden, zorgde dit voor een belangrijke vorm van ongelijkheid. Om dit op te lossen werden door de Europese Commissie geharmoniseerde methoden ontwikkeld voor toekenning van gratis emissierechten in de derde handelsperiode aan de verschillende sectoren en activiteiten.

De aanpassing van de regels voor het toewijzen van gratis emissierechten kwam er voornamelijk om de overallocatie in de EU aan banden te leggen. Die overallocatie zorgde er immers voor dat de prijs van emissierechten beperkt bleef (vierde figuur). De nieuwe regels moesten ervoor zorgen dat de prijs van emissierechten steeg en een effectievere stimulus werd voor bedrijven om hun emissies te reduceren.

 

Voorts introduceerde de EU in 2013 en 2014 de backloading van veilingen en de strategisch marktreserve om het prijseffect van het overaanbod aan emissierechten opgespaard tijdens de eerste 2 handelsperiodes te compenseren. Door de veiling van 900 miljoen emissierechten in de periode 2014-2016 uit te stellen en deze in de strategische marktreserve te plaatsen hoopt men het overaanbod weg te werken en de prijs van emissierechten op te krikken. Tussen eind 2011 en 2014 nam de prijs voor emissierechten immers af van 14 EUR tot 6 EUR. Toch hebben deze ingrepen nog niet geleid tot een blijvende stijging van de emissierechten (vierde figuur).

Elektriciteitssector

De elektriciteitssector kreeg in de eerste en tweede handelsperiode gratis emissierechten die overeenkomen met ongeveer 50 % van hun emissies. Vanaf de derde handelsperiode krijgen elektriciteitsproducenten geen gratis emissierechten meer (met een uitzondering voor elektriciteitsproductie uit rookgassen) en moeten ze haast al hun emissierechten dus ofwel kopen van lidstaten via veilingen, van andere ETS-installaties of van internationale projecten (via CDM- of JI-projecten).

Andere sectoren

De uitbreiding van de industriële activiteiten die onder het ETS vallen is het duidelijkst af te leiden uit de emissies van industriële ETS-installaties vanaf 2013 in de eerste figuur. Deze nemen duidelijk toe. De volle lijn geeft de emissie weer van alle sectoren, de stippellijn de emissies zonder de energiesector.

In de derde handelsperiode nemen de emissies die onder het ETS vallen dus toe en het aantal gratis emissierechten af, waardoor de gratis emissierechten niet meer zullen volstaan voor alle ETS-installaties in Vlaanderen (voor individuele bedrijven is situatie zeer verschillend en kunnen de gratis emissierechten nog wel voldoende zijn). Dit neemt niet weg dat vele bedrijven die tot het ETS behoren in de tweede handelsperiode aanzienlijke reserves aan emissierechten hebben kunnen opbouwen (zie hoger), die in de derde handelsperiode gebruikt kunnen worden om tekorten aan te vullen.

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht