Deel deze pagina

Verzenden

Emissie van broeikasgassen per sector (CO2, CH4, N2O, SF6, HFK's, PFK's, NF3)

De klimaatveranderingen die we de laatste 50 jaar waarnemen zijn met heel grote waarschijnlijkheid mede toe te schrijven aan menselijke activiteiten die de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer verhogen: voornamelijk het gebruik van fossiele brandstoffen en ontbossing. Die activiteiten gaan immers gepaard met een netto uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer.

Deze indicator gaat na wat het aandeel is van de verschillende sectoren in de broeikasgasemissies van Vlaanderen, en hoe die aandelen verschuiven in de loop der jaren.
Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

* incl. emissies & sinks uit bossen ** incl. bijschatting verkochte brandstof wegverkeer en binnenlandse zeescheepvaart conform internationale rekenregels

Bron: MIRA op basis van EIL en VITO
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Helft uitstoot afkomstig van industrie en energie(productie)

In 2014 vertegenwoordigen de sectoren industrie en energie samen nog steeds iets meer dan de helft van de totale broeikasgasemissies in Vlaanderen, namelijk 52 % (eerste figuur).

Het aandeel van de industrie viel tussen 1990 en 2009 terug van 30 % naar 24 %, maar nam ondertussen terug toe tot 28 % in 2014. Toch zijn de industriële emissies ook in 2014 in absolute uitstoot afgenomen (tweede figuur). Met uitzondering van 2009 (zeer lage emissies omwille van de economische crisis), gaat daarmee de gestage emissiereductie verder die de industrie heeft ingezet sinds 2000, met een gemiddelde van 0,4 Mton CO2-eq per jaar. Deze afname kan het gevolg zijn van verbeteringen in energie-efficiëntie onder invloed van het Europees emissiehandelssysteem en de energieconvenanten met de Vlaamse overheid, maar ook een verplaatsing van industriële activiteiten naar andere landen kan de daling verklaren. De emissie van de industrie vertoont de grootste variabiliteit van alle sectoren. Het verschil tussen het jaar met de hoogste en het jaar met de laagste emissies bedraagt 9,6 Mton. Ter vergelijking: dit verschil bedraagt 6,9 Mton voor de sector energie en 4,3 Mton voor de huishoudens.

Het aandeel van de landbouw (exclusief veranderingen in landgebruik, LULUCF) in de totale emissies vertoont een dubbel beeld. Net als de emissies zelf nam ook dit aandeel stelselmatig af van 10,2 % in 1990 tot 8,0 % in 2008. Doordat de broeikasgasemissies in de landbouw niet verder afnemen sinds 2008, nam ook het aandeel in de totale broeikasgasuitstoot terug toe tot 8,9 % in 2014.

Het aandeel van de energiesector in de totale emissie van broeikasgassen schommelde in de periode 2000–2010 rond de 27 %. Daarna begint het aandeel van de sector energie af te nemen tot 24 % in 2013 en 2014. In deze periode namen de broeikasgasemissies in de sector energie dus sterker af dan in de andere sectoren. Sinds 2010 dalen de emissies met gemiddeld 1,2 Mton CO2-eq per jaar en lijkt het emissiereductiepad, dat sinds 2004 werd ingezet met initieel zeer beperkte emissiereducties, te versnellen. Deze daling is het resultaat van de sluiting van enkele klassieke elektriciteitscentrales en de toenemende co-verbranding van biomassa in steenkoolcentrales. Het verlies aan capaciteit in fossiele centrales werd bovendien gedeeltelijk opgevangen door een toenemende hernieuwbare energieproductie zowel wat betreft elektriciteit als warmte. Ook WKK-installaties worden steeds meer ingezet, ook al is het opvallend dat emissies van WKK-installaties ook afnemen in 2014. 

Belang van kleine, diffuse emissiebronnen neemt toe

Het belang van handel & diensten en vooral transport in de totale emissie nam duidelijk toe tussen 1990 en 2014. In tegenstelling tot alle andere sectoren lagen de emissies van deze twee sectoren in 2014 hoger dan in 1990. Sinds 2005 stijgen hun emissies echter niet of nauwelijks meer (tweede figuur).

De broeikasgasemissies van huishoudens en handel & diensten zijn bijna allemaal afkomstig van de verwarming van gebouwen. De uitstoot van broeikasgassen in deze sectoren is dus gedeeltelijk afhankelijk van buitentemperaturen in de winter en de bijhorende warmtevraag. Vooral voor huishoudens is er een duidelijk merkbaar effect van de warmtevraag op de emissies. Door de zeer milde wintermaanden in 2011 en 2014 waren de broeikasgasemissies opvallend laag, terwijl de strenge winter in 2013 voor een piek in emissies zorgden in deze sector. Ondanks deze fluctuaties is er een duidelijke negatieve trend en nemen emissies sinds 2000 af met gemiddeld 0,3 Mton CO2-eq per jaar. De inzet van energiebesparende maatregelen (bv. premies voor dakisolatie en instellen van bouwvoorschriften) en de overstap naar meer hernieuwbare energiebronnen (bv. premies voor zonneboilers en warmtepompen) hebben voor emissiereducties gezorgd.

In tegenstelling tot de meeste andere sectoren, namen de broeikasgasemissies van transport toe tussen 1990 en 2014. Daarmee steeg ook het aandeel van de transportsector in de Vlaamse broeikasgasuitstoot van 15 % in 1990 naar bijna 22 % in 2014. Omwille van de economische crisis was er wel een sterke daling van de activiteit in en dus de uitstoot door goederentransport, die de groei in emissies tussen 2008 en 2014 heeft kunnen beperken.

Vooral energie en industrie doen emissies sinds 2005 dalen

De verschuiving van het belang van de grote puntbronnen naar de kleine, diffuse emissiebronnen is mogelijk het resultaat van een effectiever beleid op de grote installaties (bv. het lachgasconvenant tussen de Vlaamse overheid en BASF) en/of een groter potentieel in 1990 bij die grote puntbronnen om emissies te reduceren. Niet toevallig behoren die grote puntbronnen ook tot de sectoren waar naast CO2, ook emissies van andere broeikasgassen (F-gassen, N2O en CH4) een belangrijke rol spelen.

De derde figuur geef nog het verschil in emissies tussen 2005 en 2014. 2005 is het startjaar van het Europees emissiehandelssysteem en ook het referentiejaar voor de emissiereducties te realiseren door de niet-ETS sectoren. Voor Vlaanderen is duidelijk te zien dat de reducties die tot nog toe konden gerealiseerd worden in die periode, vooral op rekening te schrijven zijn van de energiesector (-6,7 Mton CO2-eq) en de industrie (-4,0 Mton CO2eq). Ook de huishoudens lieten een belangrijke reductie optekenen in het (warme) jaar 2014: -2,6 Mton CO2-eq ten opzichte van 2005. De emissies van transport daarentegen bleven nog licht stijgen (+0,2 Mton CO2-eq) en ook de sinkfunctie van bossen kende een afname met een netto emissietoename tot gevolg (+ 0,04 Mton CO2-eq).

Meer cijfers

.pdf

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht