Deel deze pagina

Verzenden

Emissie broeikasgassen per activiteit (CO2, CH4, N2O, SF6, HFK's, PFK's, NF3)

Energiegebruik zorgt voor het gros van de broeikasgasuitstoot in Vlaanderen. Maar ook andere activiteiten leveren een bijdrage aan de broeikasgasemissies.

Deze indicator brengt de aandelen van de belangrijkste activiteiten in beeld, en tracht de belangrijkste evoluties ook te duiden. Bijkomend brengt een beknopte decompositie-analyse enkele verklarende factoren voor het verloop van de broeikasgasuitstoot door energiegebruik in beeld.

Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

* incl. emissies & sinks uit bossen ** incl. bijschatting verkochte brandstof wegverkeer en binnenlandse zeescheepvaart conform internationale rekenregels *** zonder energierecuperatie

Bron: MIRA op basis van EIL en VITO
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Energiegebruik blijft broeikasgasuitstoot domineren

In 2014 was 73 % van de broeikasgasuitstoot in Vlaanderen een direct gevolg van energiegebruik en de verbranding van fossiele brandstoffen (steenkool, aardolie, aardgas en hun afgeleide producten; eerste figuur). Deze fossiele brandstoffen worden gebruikt en resulteren vooral in emissies door transport (29 %) en gebouwenverwarming (woningen, kantoren e.a.; 23 %). Maar ook het opwekken van elektriciteit was in 2014 nog altijd goed voor 23 % van de broeikasgasuitstoot in Vlaanderen. Ondanks het aanzienlijk aandeel kernenergie voor elektriciteitsopwekking en het toenemend gebruik van hernieuwbare energiebronnen, bleef Vlaanderen ook in 2014 nog voor 72 % afhankelijk van fossiele brandstoffen voor zijn bruto binnenlands energiegebruik.

In 2014 lagen de broeikasgasemissies gerelateerd aan energiegebruik gevoelig lager dan voorgaande jaren. De emissies kenden een piek in de periode 2002 tot 2004 en nemen sindsdien geleidelijk af. Vooral de vergelijking met 1990 en 2005, twee jaren die als referentiepunt worden gebruikt in het internationaal en Europese klimaatbeleid, is interessant. In vergelijking met 2005 zijn de energetische emissies met 18 % afgenomen (in vergelijking met 1990 met 14 %) en dragen op deze wijze bij tot het behalen van de emissiereductiedoelstellingen. Deze algemene trend verbergt echter belangrijk verschillen tussen de sectoren. Zo namen de energiegerelateerde broeikasgasemissies duidelijk af na 2005 bij de energiesector en de huishoudens, maar bleven die emissies nog hangen boven het niveau van 2005 bij transport. Ondanks verbeteringen in energie-efficiëntie van voertuigen en het gebruik van biobrandstoffen, blijft de vraag voor personen- en goederentransport nog altijd hoog. De opname van lage-koolstof alternatieven (zoals voertuigen aangedreven door aardgas of elektrische energie, waarbij in het laatste geval de emissies verschuiven naar de energiesector) blijft momenteel ook nog beperkt (zie analyse broeikasgasemissies per sector).

​Een tweede figuur geeft de resultaten weer van een zogenaamde decompositie-analyse op de uitstoot van broeikasgassen als gevolg van energiegebruik (dus 73 % van de broeikasgasuitstoot in 2014). Zo'n analyse maakt het mogelijk de impact van onderliggende drijvende krachten te kwantificeren.

De figuur toont de verandering in emissies ten opzichte van 2000 (zwarte lijn) en hoe verschillende factoren hiertoe hebben bijgedragen. In de periode 2000-2005 veranderde de broeikasgasuitstoot in Vlaanderen nauwelijks ondanks de bevolkingsaangroei en de groei van onze economie (Bruto Binnenlands Product of BBP) omdat er tegelijkertijd een verbetering was in energie-efficiëntie (bruto energiegebruik per eenheid finaal energiegebruik) en koolstofintensiteit (CO2-uitstoot per eenheid finaal fossiel energiegebruik).

Sinds 2005 beginnen emissies af te nemen doordat dat evenwicht wordt 'verstoord' door verbetering van de fossiele energie-intensiteit (finaal fossiel energiegebruik per eenheid finaal energiegebruik) of dus een dalend aandeel fossiele brandstoffen in het finaal energiegebruik, en een verder verbeterende energie-intensiteit (bruto energiegebruik per eenheid BBP). Deze laatste factor wordt naar 2014 toe steeds belangrijker, wat leidt tot verder dalende emissies.

De economische crisis in 2009 is duidelijk te zien in daling van de factor 'BBP per inwoner', en dit zorgt voor een grotere daling in de broeikasgasuitstoot dat jaar. In 2010 echter nemen de emissies duidelijk toe door een verminderde energie-intensiteit. Naast andere mogelijke factoren speelt hier vermoedelijk ook een onderbenutting van de productiecapaciteit in de economie, met een tijdelijk efficiëntieverlies tot gevolg. Opmerkelijk is echter dat de factor energie-efficiëntie van de totale Vlaamse economie of maatschappij (bruto energiegebruik per eenheid finaal energiegebruik) in 2013 en 2014 verdwijnt als verklarende factor voor de evolutie van de energiegerelateerde broeikasgasuitstoot.

Procesemissies chemie worden teruggedrongen

Ook diverse processen in de chemische industrie staan in voor een groot aandeel niet-energiegebonden emissies (ongeveer 10 %). Een belangrijk deel van deze emissies is afkomstig van twee bronnen: de emissie van fluorhoudende broeikasgassen bij een aantal productieprocessen en de N2O-emissies bij salpeterzuurproductie en caprolactam.

De emissies van fluorhoudende broeikasgassen is voornamelijk belangrijk tot 1995 en omvat dan 26 % van de niet-energetische emissies afkomstig van de industrie. Deze waren afkomstig van één bedrijf, en de installatie van een naverbrandingsinstallatie gecombineerd met een fluoriderecuperatie-eenheid resulteerde in een sterke emissie-afname op korte tijd. In 2000 zijn deze emissies nog maar goed voor 6 % van de industriële niet-energetische emissies.

De Vlaamse overheid heeft ook afspraken gemaakt met de producenten van salpeterzuur en caprolactam om de emissies van N2O terug te dringen zonder verlies van productiecapaciteit. Onder andere door het inbouwen van katalysatoren in de productie-installaties van salpeterzuur, konden de emissies tussen 2005 en 2009 sterk teruggedrongen worden en blijven de emissies op dit niveau. De emissies bij de productie van caprolactam vertoonden nog een belangrijke toename tot 2012, maar sindsdien blijkt een daling ingezet.

Ook veestapel belangrijke emissiebron in Vlaanderen

Emissies gerelateerd aan veeteelt vormen ook een belangrijke bron van broeikasgassen in Vlaanderen (5 %; eerste figuur). Het betreft vooral de uitstoot van methaan (CH4) en lachgas (N2O). Hierbij worden zowel directe emissies verrekend (bv. ten gevolge van spijsvertering en mestopslag) als indirecte emissies (bv. emissies uit weilanden). De emissies namen sterk af tussen 1990 en 2005 (met 18 % ten opzichte van 1990), maar kenden sindsdien opnieuw een stijging. In 2014 zijn de emissies bijna 5 % hoger dan in 2005, maar nog altijd 15 % lager dan in 1990.

Het verloop van deze emissies sluit sterk aan bij de evolutie van de veestapel. Sinds 2009 stijgt de veestapel (en de bijhorende broeikasgasuitstoot) terug door de uitbreidingsmogelijkheden geboden in het mestbeleid: mits onder meer mestverwerking kan een bedrijf zijn veestapel uitbreiden. Dat leidt vooral tot een aangroei van de pluimveestapel, aangezien pluimveemest het meest eenvoudig te verwerken is. Daarnaast heeft de sterke afname van runderen tot 2008 zich niet verder doorgezet en blijft de rundveestapel de laatste jaren stabiel.

Sterke emissiedaling bij afvalverwerking blijft aanhouden

Het afvalbeleid, waar opeenvolgende Vlaamse Ministers van Leefmilieu doelstellingen formuleerden om de hoeveelheid (gestort en verbrand) afval terug te brengen, blijkt ook een positieve weerslag te hebben op de broeikasgasuitstoot. De dalende trend voor de emissies van CO2 en CH4 uit afvalverwerking (zonder energierecuperatie) blijft aanhouden met gemiddeld ruim 80 kton CO2-eq per jaar sinds 2000. Vooral de invoering van een stortverbod en de nuttige aanwending (energieproductie) van CH4-emissies uit de bestaande afvalstorten deden de methaanuitstoot van afvalstorten sterk terugvallen.

De overige niet-energetische emissies bestaan jaarlijks voor de helft uit procesgebonden CO2-emissies bij de ijzer- en staalproductie. Deze schommelen jaarlijks tussen de 3,5 en 5,2 Mton CO2, maar de laatste jaren lijkt die uitstoot te stabiliseren rond 3,7 Mton. Andere belangrijke bronnen blijven de weliswaar dalende emissies van N2O uit landbouwbodems en de jaar na jaar stijgende uitstoot van HFK's uit koel- en airco-installaties.

Bosbeheer en (her)bebossing zorgen daarentegen voor een netto daling van de uitstoot ('sink') door het vastleggen van CO2 uit de atmosfeer in biomassa. Dit verlaagt de totale jaarlijkse netto broeikasgasuitstoot in Vlaanderen met circa 0,8 Mton CO2-eq.

Meer cijfers

.pdf

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht