Deel deze pagina

Verzenden

Percentage van de bevolking blootgesteld aan wegverkeergeluid

Het wegverkeer is de belangrijkste bron van geluidshinder. De blootstelling van de bevolking aan hoge geluidsdrukniveaus wordt opgevolgd aan de hand van verschillende indicatoren die het geluidsdrukniveau ter hoogte van de gevel van woningen weergeven:

  • de gemeten indicator LAeq, dag, week, steekproef >65dB(A);
  • de berekende indicator LAeq, dag, geluidskaart >65dB(A) die de blootstelling overdag weergeeft;
  • de berekende indicator Lden, geluidskaart >65dB(A) die rekening houdt met de behoefte aan rust ’s nachts (Europese standaard);
  • de berekende indicator Lden, geluidskaart END >65dB(A) gebaseerd op de geluidskaarten gerapporteerd in het kader van de Europese Richtlijn Omgevingslawaai.

De berekende indicatoren zijn bepaald op basis van geluidskaarten die opgemaakt werden voor MIRA. De Europese Richtlijn Omgevingslawaai vereist ook de opmaak van geluidskaarten voor agglomeraties van meer dan 250 000 inwoners, wegen met meer dan 6 miljoen voertuigpassages per jaar, spoorwegen met meer dan 60 000 treinpassages per jaar, en luchthavens met meer dan 50 000 vliegbewegingen per jaar. Op basis hiervan kan ook een percentage van de bevolking bepaald worden. Het voornaamste verschil tussen de berekening van de Europese geluidskaarten en de geluidskaarten berekend voor MIRA is dat bij de Europese kaarten het berekende oppervlak beperkt is tot de plaatsen met de grootste hinderbronnen en het dempingseffect wordt meegenomen van bebouwing gelegen in de buurt van de bron.

Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

Door een aantal aanpassingen in de methodologie kunnen de cijfers tussen 2004 en 2005 alsook de cijfers tussen 2007 en 2012-2015 niet rechtstreeks met elkaar vergeleken worden.

Bron: MIRA op basis van Metingen en geluidskaart INTEC-UGent, verkeerstellingen verkeerscentrum Vlaanderen; LNE (WWW.MILIEURAPPORT.BE)
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Doelstellingen in het milieubeleidsplan

Het MINA-plan 4 (2011-2015) stelt dat het aantal personen ernstig gehinderd door lawaai van weg- en spoorverkeer, luchtvaart en industrie in de agglomeraties van Antwerpen, Gent en Brugge (sinds 2012 opgenomen) moet dalen ten opzichte van de nulmeting. De getallen die hierbij vermeld worden komen – volgens het Milieujaarprogramma 2014 – overeen met het aantal inwoners blootgesteld aan Lden niveaus hoger dan 60 dB(A), men lijkt dus hinder met blootstelling te vereenzelvigen. Deze doelstelling is gebaseerd op de geluidskaarten die opgemaakt worden in het kader van de Europese Richtlijn Omgevingslawaai (2002/49/EC). Deze richtlijn voorziet een verplichte vijfjaarlijkse actualisatie van de kaarten. De doelstelling in het MINA-plan 4 kan pas getoetst worden na de eerstvolgende opvolgmeting.

Bij uitbreiding hanteren we voor de gerelateerde blootstellingsindicatoren voor wegverkeer in MIRA een vooropgezette daling van 15 % ten opzichte van de nulmeting (bron: https://www.lne.be/milieuhinder - overzicht indicatoren/Milieuhinder: Verkeerslawaai).

Gemeten geluidsdrukniveau (LAeq, dag, week, steekproef >65 dB(A))

Tussen 1996 en 2001 is het geluidsdrukniveau van de gemeten indicator significant gestegen (zie grafiek: groene punten). Deze stijging stagneert in de periode 2001-2009. De doelstelling blijkt hierdoor niet gehaald. Deze gemeten indicator houdt rekening met veranderingen in het wagenpark (aandeel diesel, benzine, elektrisch, vrachtwagens) en het soort van wegen. De kwaliteit van de wegen (veroudering bv.) en veranderingen in bewoning zoals verhuizen naar rustiger zones hebben geen invloed op deze indicator.

Berekend geluidsdrukniveau overdag (LAeq, dag geluidskaart >65 dB(A))

Tussen 1996 en 2001 is de berekende indicator die de geluidsdruk overdag weergeeft (LAeq, dag) gestegen door stijgende verkeersdruk (zie grafiek: lichtblauwe lijn). Deze stijging is echter minder groot dan de stijging van het gemeten geluidsdrukniveau. Na 2000 is de gevelbelasting overdag vrij constant gebleven. De trendbreuk in 2005 is het gevolg van wijzigingen in het verkeersmodel dat door het Verkeerscentrum Vlaanderen gebruikt wordt om de verkeerssamenstelling, -intensiteit en -snelheid te berekenen. Over de jaren is het model verschillende malen aangepast en verfijnd, onder andere ook door meer kleinere wegen (zgn. lagere orde wegen) in rekening te brengen. Het effect van geluidschermen op de geluidsverspreiding naar de omgeving wordt in rekening gebracht, maar de afscherming door gebouwen niet. De laatste methodewijziging heeft een invloed op de verandering van de berekende indicator tussen 2007 en 2012. Door de hiervoor vermelde aanpassingen in de methodologie kunnen de cijfers tussen 2004 en 2005 en de cijfers van 2007 en de periode 2012-2015 niet rechtstreeks met elkaar vergeleken worden. In Dekoninck et al., 2014 en Dekoninck et al., 2016 werden indicatorwaarden berekend die noch vergelijkbaar zijn met 2007 noch met de nieuw berekende waarden voor de periode 2012-2015.

Algemeen is de conclusie dat het percentage blootgesteld aan LAeq, dag >65 dB(A) aan de gevel in 2015 31,5 % bedraagt: een waarde die vergelijkbaar is met de steekproefmeting uitgevoerd in 2009. De algemene doelstelling om een dalende trend te realiseren wordt dus voorlopig niet bereikt.

Berekend geluidsdrukniveau gedurende de hele dag (Lden, geluidskaart > 65 dB(A))

Lden houdt eveneens rekening met de geluidsblootstelling tijdens de avond en de nacht, en bestraft die met 5 respectievelijk 10 dB(A) om de nachtrust te garanderen (zie grafiek: rode lijn). De indicator ligt lager dan LAeq, dag, omdat in overeenstemming met de Europese Richtlijn Omgevingslawaai de reflectie van het geluid op de gevel verwaarloosd wordt. Sinds 2001 stijgt deze indicator sterker dan de blootstelling overdag. Dit lijkt erop te wijzen dat verkeer naar de nachturen verschuift en/of dat overdag de gemiddelde rijsnelheid zou dalen, maar er is een gedetailleerde analyse nodig om dit te bevestigen.

Een geografische detailanalyse geeft meer inzicht in de locaties waar de groei in blootstelling aan verkeersgeluid tussen 2012 en 2015 plaatsvindt. In de centra van de grote steden, Antwerpen, Gent, Brugge, ... is de toename van de blootstelling zeer beperkt tot onbestaand. Langs de snelwegen is de toename beperkt, maar algemeen aanwezig. In de overige gebieden is de groei in blootstelling versnipperd, maar gemiddeld lijkt die groei iets lager in de Vlaamse ruit.

Globaal is het percentage blootgesteld aan Lden, geluidskaart > 65 dB(A) in de periode 2012-2015 opnieuw gestegen, en is met 23,3 % nog steeds zeer hoog vergeleken met de periode 1998-2005. De algemene doelstelling om een dalende trend te realiseren lijkt hier dan ook in het gedrang te komen.

Berekend geluidsdrukniveau in de buurt van drukke wegen (Lden, geluidskaart END >65 dB(A))

Op basis van de niet-gebiedsdekkende geluidskaarten berekend in het kader van de Europese Richtlijn Omgevingslawaai kan ook het percentage van de bevolking bepaald worden blootgesteld aan geluidsdrukniveaus hoger dan 65 dB(A). Omdat hierbij enkel de drukste wegen en de grote agglomeraties (Gent, Antwerpen, Brugge) worden meegerekend, is dit percentage kleiner dan de andere berekende waarden. Het aantal blootgestelden aan Lden niveaus hoger dan 65 dB(A) bedraagt 428.500 inwoners in de drie agglomeraties (bron: https://www.lne.be/milieuhinder). De berekeningsmethodes zijn moeilijk te vergelijken, doordat het al dan niet opnemen van de wegen in de EU-richtlijn sterk afhankelijk is van de verkeersintensiteit op de drukkere wegen. Het verschil tussen de twee methodes geeft ook weer dat de blootstelling van de bevolking aan geluid van wegverkeer op minder drukke wegen een significant aandeel vormt van de totale blootstelling. Dit is het gevolg van de korte afstand tussen de bewoning en deze lagere orde wegen met hoge blootstellingsniveaus als gevolg.

Meer info

Deze indicator is gebaseerd op het MIRA onderzoeksrapport 'Actualisatie van de geluidsindicatoren' (2016).

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht