Deel deze pagina

Verzenden

Hoeveelheid huishoudelijk restafval

Deze indicator omvat het niet-selectief ingezamelde deel van het huishoudelijk afval en bestaat uit het huis-aan-huis ingezamelde huisvuil (inclusief het sorteerresidu van het PMD), het grofvuil dat huis-aan-huis en op het containerpark wordt ingezameld en het gemeentevuil.

Uw eigen indicatorrapport
Voeg deze fiche toe aan uw eigen 'Indicatorrapport à la carte' door hierboven aan te klikken.
D P S I R

Figuren

Bron: MIRA op basis van gegevens OVAM (WWW.MILIEURAPPORT.BE)
Cijfers in Excel.
Maak link naar deze figuur
Open grafiek in nieuw venster

Verloop

Hoeveelheid huishoudelijk restafval daalt door afname grofvuil

In 2014 werd 145,7 kg huishoudelijk restafval per inwoner ingezameld. 77 % daarvan was huisvuil (inclusief sorteerresidu van PMD), 19 % grofvuil en de overige 4 % gemeentevuil. Na een periode van stagnatie tussen 2009 en 2012 daalde de hoeveelheid restafval per inwoner in 2013 met 1,5 kg (-1,0 %). In 2014 was de daling nog iets sterker: 2,2 kg per inwoner (-1,5 %). De daling in 2013 was voornamelijk het gevolg van een afname van de hoeveelheid huisvuil (-1,9 kg per inwoner). De daling in 2014 is daarentegen volledig toe te schrijven aan een afname van de hoeveelheid grofvuil (-2,7 kg per inwoner). Dit komt vermoedelijk doordat de inzameling van grofvuil sinds 1 juli 2013 wettelijk gezien overal betalend moet zijn. Zo worden particulieren aangemoedigd om recycleerbare fracties apart aan te bieden en herbruikbare goederen naar een kringloopcentrum te brengen. Uit een sorteeranalyse van het aan huis ingezamelde grofvuil in 2011 bleek immers dat, volgens de criteria van het Uitvoeringsplan Milieuverantwoord beheer van huishoudelijke afvalstoffen, 37 % van het geanalyseerde afval mogelijk geschikt was voor materiaalrecuperatie.

 

 ... maar  er is nog heel wat ruimte voor verbetering

Het MINA-plan 4 (2011-2015) nam de doelstelling voor huishoudelijk restafval uit het MINA-plan 3+ (2008-2010) over: tegen 2015 mag op niveau Vlaanderen maximum 150 kg huishoudelijk restafval per inwoner ingezameld worden. Deze doelstelling wordt al sinds 2009 gehaald. Toch is er nog heel wat ruimte voor verbetering, niet alleen voor grofvuil (zie hoger) maar ook voor huisvuil. Een sorteeranalyse van de Vlaamse huisvuilzak en -container in de periode 2013-2014 toonde dat ruim de helft van het huisvuil bestond uit recycleerbaar of composteerbaar afval: 44,5 % was afval waarvoor er in elke gemeente selectieve inzamelmogelijkheden bestaan of dat thuis kan gecomposteerd worden, 10,5 % was recycleerbaar afval dat niet overal selectief wordt ingezameld. Bij de laatste fractie (10,5%) ging het vooral om gemengd kunststofafval, de eerste fractie (44,5%) bevatte een aanzienlijk aandeel recycleerbaar verpakkingsafval (11,4 %) en composteerbaar keuken- en tuinafval (14,9 %). Uit de analyse blijkt ook dat 15,4 % van het huisvuil bestaat uit voedselafval (composteerbaar en niet-composteerbaar). 8,6 % (9,5 kg per inwoner) is niet te vermijden afval zoals koffiedrab, schillen van aardappelen, pitten, beenderen, enz. De overige 6,7 % (7,4 kg per inwoner) is voedselverlies dat kan vermeden worden. Bijna driekwart van deze vermijdbare fractie bestaat uit brood en banket, groenten en fruit.

Uit het ontwerp Uitvoeringsplan Huishoudelijk en gelijkaardig bedrijfsafval blijkt dat de gezamenlijke hoeveelheid restafval van huishoudens en bedrijven tussen 2012 en 2022 met 10 tot 15 % kan dalen, mits bijkomende preventie- en recyclagemaatregelen. Voor de realisatie van het bijkomende potentieel wordt o.a. gekeken naar organisch-biologisch afval, kunststofafval, textiel, papier- en kartonafval en grofvuil.

Gros van gemeenten haalt doelstelling

In 2014 varieerde de hoeveelheid restafval per gemeente van 76 tot 284 kg per inwoner, met een mediaan van 129 kg per inwoner. Dat is 3 kg minder dan het jaar voordien. In 2013 zamelde ongeveer de helft van de gemeenten minder restafval in dan het jaar voordien. In 2014 liep dit aandeel op tot twee derde van de gemeenten. Er waren ook meer gemeenten waar de daling van de hoeveelheid restafval vrij groot was: 15 % van de 308 gemeenten rapporteerden in 2014 een afname van minstens 10 kg per inwoner, tegenover 10 % in 2013. Het aandeel gemeenten dat een stijging van minstens 10 kg per inwoner liet optekenen, bleef ongeveer gelijk: 5 % in 2014 tegenover 6 % in 2013.

Het Uitvoeringsplan Milieuverantwoord beheer van huishoudelijke afvalstoffen (2008-2015) stelt dat elke gemeente vanaf 2010 maximaal 180 kg restafval per inwoner mag inzamelen. Factoren zoals toerisme, gezinsgrootte en leeftijdsstructuur hebben een invloed op de hoeveelheid restafval. Daarom werd aan 143 gemeenten een correctiefactor toegekend om de hoeveelheid restafval te toetsen aan de gemeentelijke doelstelling. Drie gemeenten, allen in Vlaams-Brabant, haalden deze doelstelling niet in 2014. Dat is minder dan in 2013: toen haalden tien gemeenten, waarvan negen in Vlaams-Brabant, de doelstelling niet. 81 % van de gemeenten zamelden, na toepassing van de correctiefactor, 150 kg restafval per inwoner of minder in. 44 % haalde zelfs maar 120 kg of minder op. In 2013 was dat 77 % respectievelijk 40 %.

Uit een vergelijking tussen het tarief voor huisvuil en de hoeveelheid huisvuil in een gemeente door de OVAM blijkt dat de hoeveelheid huisvuil lager ligt in gemeenten met een duurdere huisvuilzak. In gemeenten die werken met containers waarbij huishoudens betalen per kg aangeboden restafval ligt de hoeveelheid huisvuil gemiddeld het laagst. Hogere tarieven lijken dus te zorgen voor minder restafval. Sinds 1 juli 2013 is er in Vlaanderen een prijsvork met minimum- en maximumtarieven voor huisvuil van kracht. Toch is prijsbeleid alléén niet voldoende. De gemeente moet een optimale instrumentenmix inzetten want het is de samenhang van factoren en maatregelen die, samen met de intensiteit en de kwaliteit waarmee die maatregelen worden uitgevoerd, het uiteindelijke resultaat bepalen.

Meer cijfers

.pdf

DPSI-R (de verstoringsketen)

De verstoringsketen is een veelgebruikt analysekader in de internationale milieurapportering. De keten schematiseert de oorzaken tot en met de gevolgen van de milieuproblemen.

Schakel 1 Driving forces (Maatschappelijke activiteiten) de onderliggende oorzaken van de milieuproblemen (productie, consumptie, transport, recreatie, enz.)
Schakel 2 Pressure (Druk) de directe oorzaken van de verstoringen brongebruik (energie, water, ruimte, grondstoffen) emissies (lozingen naar lucht, water en bodem, afval)
Schakel 3 State (Toestand) de resulterende toestand in lucht, water en bodem
Schakel 4 Impact (Impact) een inschatting van de negatieve gevolgen van de milieukwaliteit voor mens, natuur en economie
Schakel 5 Response (Respons) het (beleids)antwoord op deze verstoringen

Indicators



DPSIR-chain

The DPSI-R chain is a frequently used analysis framework in international environmental reporting. The DPSI-R chain outlines the causes to the impacts of environmental problems.

Link 1 Driving forces the underlying causes of environmental problems (production, consumption, transportation, recreation, etc.)
Link 2 Pressure the direct causes of the disturbances from resource use (energy, water, space, materials) and emissions (discharges to air, water and soil, waste)
Link 3 State the resulting state in air, water and soil
Link 4 Impact an estimate of the negative effects of the environmental quality for man, nature and economy
Link 5 Response the (policy) response to these disturbances

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Indicatoren

positieve evolutie Positieve evolutie, met de doelstelling binnen bereik, of gunstige toestand.
onduidelijke evolutie Geen of beperkte evolutie, maar onvoldoende om de doelstelling te bereiken, of neutrale toestand.
negatieve evolutie Negatieve evolutie, verder weg van de doelstelling, of ongunstige toestand.
onvoldoende informatie beschikbaar Onvoldoende informatie.
De toekenning van smileys is geen exacte wetenschap maar veeleer een expertoordeel. Het 'oormerken' van indicatoren houdt onmiskenbaar het gevaar in van te sterke vereenvoudiging. Daarom wil de smiley de lezer vooral aanzetten om de bijhorende indicatorbeschrijving te lezen.

Terug naar overzicht